Heilige van de maand

 Startpagina

 

OMTRENT

FRANCISCUS

Br. Jan De Vleeshouwer

 

 

 

In de koorts van de verkiezingstrijd is het mij opgevallen  hoe wij naar de anderen om ons heen kijken: oordelend, beoordelend, veroordelend … en dat voor het groot gelijk dat ieder wil verkrijgen! Dat heeft mij wel even doen nadenken: hoe zou Franciscus de andere aangekeken hebben? Ik kan me moeilijk inbeelden dat de universele broeder, die hij wou zijn, de anderen zo vlug zou beoordelen en veroordelen. Dus ben ik maar weer eens gaan grasduinen in zijn geschriften.

 

(Hoofdstuk 11 De broeders mogen elkaar niet belasteren of zwartmaken, maar moeten elkaar liefhebben) En alle broeders moeten oppassen dat zij niet kwaadspreken of bekvechten; zij kunnen beter de stilte bewaren zo vaak God hun daartoe de genade geeft. En zij mogen ook niet ruziën onder elkaar of met anderen,maar laat ze nederig antwoorden: `Ik ben een onnut dienaar.’ En zij mogen niet kwaad worden, want wie kwaad wordt op zijn broeder is strafbaar voor het gerecht; wie zijn broeder leeghoofd noemt, is strafbaar voor het gerechtshof; die hem een domkop noemt, is strafbaar met het hellevuur. En zij moeten elkaar liefhebben zoals de Heer zegt: `Dit is mijn gebod, dat jullie elkaar liefhebben, zoals Ik jullie heb liefgehad.’ En zij moeten de liefde die ze voor elkaar hebben, met daden tonen, zoals de apostel zegt: `Laten wij niet met woorden of leuzen liefhebben, maar metterdaad en in waarheid.’ En zij mogen niemand belasteren; zij mogen niet klagen of anderen zwartmaken, want er staat geschreven: `Mensen die roddelen en zwartmaken, worden door God gehaat.’ En zij moeten bescheiden zijn en zich tegenover iedereen in alle opzichten zachtmoedig gedragen. Ze mogen niet oordelen, niet veroordelen, en, zoals de Heer zegt, niet letten op de kleinste zonden van anderen ,maar ze moeten veeleer aan hun eigen zonden terugdenken in de bitterheid van hun ziel. En ze moeten hun best doen om door de nauwe poort te gaan, want de Heer zegt: `Nauw is de poort en smal is de weg die naar het leven leidt; en er zijn maar weinig mensen die hem vinden.’ 1 RegMb 11

 

Ik heb hier enkele zinnetjes in schuine druk gezet omdat ze toch een levenshouding uitdrukken waarvan ik goed besef dat het misschien niet zo eenvoudig is om het uit te voeren. Opvallend voor mij is het aantal werkwoorden in de  tekst die de uitdrukking “met daden” goed benadrukken. Maar zoeken wij nog even   verder naar andere teksten. Die bijzondere aandacht voor de onderlinge relaties komt vanuit de ervaring van Franciscus en zijn eerste gezellen. Als een samenleving van mensen met verschillende achtergronden, sociale standen enz… dienen samen te leven, dan moeten zij beginnen met de aandacht en de manier van om te gaan met elkaar. Alleen zo lijkt een samenleven mogelijk te worden

 
   

(8. De zonde van jaloezie vermijden) De apostel zegt: ‘Niemand kan zeggen: Jezus is de Heer, behalve door de Heilige Geest’,
en: ‘Niemand is er die het goede doet, zelfs niet één.’Wie dus jaloers is op zijn broer om het goede dat de Heer in hem zegt
en doet, maakt zich schuldig aan godslastering, want hij is jaloers op de Allerhoogste zelf, die al het goede zegt en doet.

Wijs 8

In deze spreuk legt Franciscus een terke band tussen onze houding tegenover onze medemens en onze houding tegenover God. Wij dienen dezelfde houding aan te nemen tegenover onze medemens als tegenover God.

 

(11. Niemand mag zich door het kwaad van een ander laten verleiden) Een dienaar van God mag alleen van de zonde een afkeer hebben. Hoe iemand ook zondigt, als een dienaar van God zich daarom opwindt en kwaad wordt - wat niet uit liefde voortkomt - dan vergaart hij zich een kapitaal aan schuld. Die dienaar van God die niet kwaad wordt en zich nergens over opwindt, leeft echt zonder eigendom. Gelukkig dus wie niets voor zichzelf achterhoudt en aan de keizer teruggeeft wat van de keizer is, en aan God, wat van God is. Wijs 11

Franciscus een melaatse genas
 naar ziel en lichaam

Br. Jan Geerts

Hieronder kan je het verhaal lezen van de genezing van een melaatse. In de FLO van Meersel-Dreef werd dit verhaal besproken door de leden. Br. Jan Geerts, plaatselijk assistent,vertelt het daarna opnieuw:

 

“Franciscus zorgde niet alleen zelf graag voor melaatsen, maar had ook bepaald dat de broeders  van zijn orde, overal ter wereld waar zij gingen of stonden, melaatsen verzorgden uit liefde voor Christus, die omwille van ons als een melaatse beschouwd wilde worden. Zo verpleegden de broeders van een verblijf dichtbij dat van Franciscus, in een hospitaal de melaatsen en andere zieken. Nu was een van die melaatsen zo ongeduldig en eigenwijs en zo onhebbelijk, dat iedereen ervan overtuigd was dat hij door de duivel bezeten was, en dat was hij inderdaad. Hij bruuskeerde iedereen die hem ver-pleegde met schelden en slaan, en wat erger was, hij vloekte op zo’n schandelijke manier tegen de gezegende Christus en zijn allerheiligste moeder de Maagd Maria, dat er niemand meer te vinden was die hem kon of wilde verzorgen. En hoewel de broeders uit alle macht probeerden elke smaad en krenking jegens hemzelf gelaten te ondergaan, om de verdiensten van hun geduld te laten groeien, verdroeg hun geweten de beledigingen van Christus en zijn Moeder niet, zodat ze besloten deze melaatse geheel aan zijn lot over te laten. Dat wilden ze echter niet doen zonder Franciscus, die toen in een naburig verblijf was, voor de goede orde daarvan op de hoogte te stellen. Toen ze hem verslag hadden gedaan, ging Franciscus naar de verdorven melaatse toe.

Bij hem aangekomen groette hij hem met de woorden: ‘God geve je vrede, mijn dierbare broeder.’ De melaatse antwoordde mopperend: ‘Wat voor vrede mag ik van God verwachten, die me alle goeds en vrede ontnomen heeft, en gemaakt heeft dat ik helemaal wegrot en stink?’ En Franciscus zei: ‘Heb geduld, mijn zoon, want ziektes van het lichaam worden ons in deze wereld door God gegeven tot heil van onze ziel, omdat ze van grote waarde zijn wanneer wij ze lijdzaam verdragen.’ Daarop vroeg de zieke: ‘Maar kan ik geduldig de aanhoudende pijn verdragen die me dag en nacht kwelt? En het is niet alleen mijn ziekte die me tergt, maar ik ben nog slechter af door de broeders door wie jij me laat verplegen en die dat niet doen zoals ze zouden moeten.’ Franciscus, die door een openbaring wist dat deze melaatse door een boze geest bezeten was, zonderde zich toen af en begon met overgave voor hem tot God te bidden. Na zijn gebed ging hij naar hem terug en zei: ‘Mijn zoon, ik wil je graag zelf verplegen, aangezien je over de anderen niet tevreden bent.’ ‘Mij best,’ zei de zieke, ‘maar wat kun jij meer voor me doen dan de anderen?’ Franciscus antwoordde: ‘Ik zal doen wat jij wilt.’ En de melaatse zei: ‘Dan wil ik dat je mij van top tot teen wast, want ik stink zo erg dat ik mijzelf niet verdraag.’

 Onmiddellijk liet Franciscus water warm maken met veel geurige kruiden, hij kleedde hem uit en begon hem met zijn handen te wassen, terwijl een andere broeder water over hem heen goot. En door een goddelijk wonder gebeurde het dat waar Franciscus hem met zijn heilige handen aanraakte, de melaatsheid verdween en het vlees volkomen genas. En zodra zijn vlees begon te genezen, begon ook de genezing van zijn ziel. Toen de melaatse zag dat hij weer gezond werd, kreeg hij tegelijkertijd grote wroeging en berouw over zijn zonden en begon hij bitter te wenen. Zo werd zijn lichaam van buiten van de me-laatsheid gereinigd door het wassen met water, terwijl van binnen zijn ziel gereinigd werd van de zonde door zijn tranen en spijt. (…). Zo bleef hij twee weken lang hevig zijn zonden bewenen en Gods genade afsmeken, en legde hij bij de priester een volledige biecht af. En Franciscus, die zag hoe God dit onmiskenbare wonder door middel van zijn handen bewerkstelligd had, dankte hem en vertrok naar een streek daar ver vandaan; want uit nederigheid wilde hij elke wereldse roem ontvluchten en zocht hij in al zijn daden de eer en roem van God en niet van zichzelf.” (Uit Fioretti, 1999, Uitg. J.H.Gottmer, p. 101).

 

Franciscus zelf vertelt in zijn ‘Testament’ hoe zijn contacten met melaatsen heel zijn leven overhoop gooiden. Geen wonder dat deze mensen hem daarna zo ter harte gingen. Hij wilde dat diegenen die toetraden tot de Mindere Broeders melaatsen zouden gaan verzorgen. In het boekje ‘De Fioretti, verhalen over Sint Franciscus’ uit 1380 staat daarover een verhaal. Op 2 oktober hebben wij dat samen gelezen. Het werd een verrijkend gesprek. Vanuit die uitwisseling vertel ik het verhaal. Niet ver van waar Franciscus was, verplegen enkele broeders melaatsen. Maar één zieke is werkelijk onhebbelijk, ongeduldig, eigenwijs. Hij slaat zelfs wie hem verzorgen. In plaats van hen dankbaar te zijn, scheldt hij hen uit. Dat alles kunnen de broeders nog wel verdragen; het is voor hen ook een goede oefening om geduldig te leren zijn. Maar dat hij ook scheldt en vloekt  tegen Jezus, tegen Maria, wordt voor hen echt te zwaar. Dat kwetst hen in hun geloof, in hun liefde voor Jezus. Hij lijkt voor hen een bezetene. Daarom willen zij hem liever laten vallen. Waarom? Kunnen zij het gewoon niet meer aan? Willen zij daardoor die man straffen? Of denken zij aldus Jezus en Maria tegen die vervloekingen te verdedigen? Of hopen zij hem daardoor tot redelijkheid te dwingen? Met dat probleem gaan zij naar Franciscus. Zijn reactie is merkwaardig. Hij beluistert hen. Hij hoort hoe de duivel beide partijen in zijn macht krijgt: de zieke langs zijn opstandigheid tegen alles en allen, de broeders langs hun onmacht en ergernis. Franciscus laat zich echter door hem niet vangen. Hij weet immers maar al te goed hoe die te werk gaat. In de regel van 1221 schreef hij het zo: “En alle broeders moeten uitkijken dat zij vanwege de zonde of het kwaad van een ander zich opwinden of boos worden, want de duivel wil door de misstap van een enkeling velen in het verderf storten.” (1RegMB 5,7). Dat wil hij nu niet verder meer laten gebeuren. In plaats van over die man gaat hij mét hem praten. En wat hij ten diepste op het oog heeft, zegt hij hem: “God geve u vrede”. En hij voegt er direct “mijn dierbare broeder” bij: waarmee hij aangeeft dat hij hem als een gelijke ziet met wie hij een band heeft en wil hebben. De melaatse spuwt meteen zijn gal uit: hij is kwaad op God en verafschuwt zijn eigen lichaam. Franciscus reageert rustig en open, niet onthutst, niet verontwaardigd, niet geërgerd. Hij laat de man echt uitspreken. En de melaatse laat zich zo maar niet troosten. “En die broeders van U die mij zouden moeten verzorgen, doen het ook verkeerd.”Franciscus begrijpt hoe zwaar die mens het heeft én dat de duivel die gevoelens aanvuurt en gebruikt. En hij begrijpt: ik moet nu eerst bidden voor hem en voor mezelf. En hij zonderde zich een tijdje af. Na dit gebed gaat hij terug naar de man en zegt: “ik wil je graag zelf verplegen, aangezien je over anderen niet tevreden bent.” - “Was mij dan van kop tot teen, want ik stink zo erg dat ik mijzelf niet kan uitstaan” is het antwoord. Meteen maakt hij water warm en giet er ook nog, als een extraatje, geurige kruiden bij. Overal waar hij hem – met veel liefde – wast, verdwijnt de melaatsheid. Bij het zien van dit alles geneest nu ook zijn ziel van wrok, ongeloof, verbittering…en hij drukt zijn spijt en berouw uit. Franciscus doet nu weer iets merkwaardigs. Waar wij misschien trots zouden zijn op onze goede aanpak met goed resultaat en wachten op een gemeend dankwoord, trekt hij zich vlug terug in de eenzaamheid om God te danken. Hij vindt immers dat Hem alle dank en eer toekomt. Daarom onttrekt hij zich aan de mensen die het allemaal aan hem willen toeschrijven. Terwijl wij dit verhaal, stuk voor stuk, samen bespraken, was het alsof wij in een spiegel aan het kijken waren. Een spiegel – evenals dit artikel – dient om ons te tonen hoe wijzelf nu echt zijn. Franciscus biedt ons hier een alternatief, een perspectief aan van geloof in mensen, in God, in een evangelische houding. Hij geve U vrede.