|
|
|
Kapucinessen - Kapucinessen te Brugge In 1581 werd te Saint-Omer (Toen Sint-Omaar in Frans-Vlaanderen) FRANCISCA TAFFIN geboren. Zij stamde uit de lokale adel. Als kind verbleef zij twee jaar als pensionnaire bij de benedictinessen van Bourbourg (Broekburg). Op zestienjarige leeftijd huwde zij met Alexander Maes, raadspensionnaris van de stad Bourbourg. Zij poogde haar leven als echtgenote en moeder te combineren met een vroom en ascetisch leven. Toen haar man in 1614 overleed, kon zij haar droom – religieuze worden – realiseren. Haar geestelijk leidsman was een kapucijn. Zijn spiritualiteit beviel haar. Zij richtte haar woning als een klooster in en leidde een ascetisch leven. Haar oudste dochter volgde haar daarin heel bewust. Stilaan ontwikkelde hun leven tot een echt religieus leven. Twee begijnen voegden zich bij moeder en dochter. Later zou ook haar tweede dochter volgen. De bisschop van Saint-Omer keurde de constituties goed. In hetzelfde jaar kreeg Francisca ook de toestemming van de magistraat. Het jaar daarop werden de eerste postulanten aanvaard. Omdat de communiteit steeds maar aangroeide, begon men met de bouw van een klooster. De kerk werd in 1619 gewijd. De gemeenschap bestond toen reeds uit 22 leden. In 1644 moest de communiteit van Bourbourg haar klooster verlaten omwille van de oorlogsomstandigheden. Acht religieuzen trokken naar Brugge en begonnen daar een nieuw kloosterleven. Acht anderen gingen naar Antwerpen en stichtten zo een derde communiteit. In 1647 keerden drie zusters terug naar Bourbourg. Vandanaf werden er meerdere kloosters in Vlaanderen, Frans-Vlaanderen en ook Duitsland opgericht. Door de eeuwen heen verdwenen ze allen, buiten Bourbourg, Antwerpen en Brugge. In Gent kwam er ook een gemeenschap tot stand die momenteel nog goed werkt. Hier kwamen de kapucinessen op een heel andere manier terecht. Als stichteres mogen we eigenlijk de Weledele Vrouwe LOUISE VAN LORREINEN beschouwen. Vrouwe Louise was weduwe van de prins De Ligne en nicht van de koningin van Frankrijk. Toen ze 42 jaar was (1637) werd ze kapucines te Douai (klooster dat door Françoise Taffin gesticht was in 1630). Zij nam de naam aan van zuster Clara Francisca van Nancy. Politieke omstandigheden deden het later raadzaam vinden dat ze de wijk nam naar het Belgische Bergen. Zij stichtte daar een klooster (1644), waar zij, na een heilig leven, overleed in 1667. Het was haar inzicht geweest een kapucinessenklooster te stichten in Gent. Op haar sterfbed gelastte zij haar zoon, de prins de Ligne, met de uitvoering van haar plan. Op deze manier hebben wij nu nog drie kapucinessenkloosters, waarvan drie in Vlaanderen. Momenteel leven er in Gent nog 5 zusters, in Brugge nog 8, in Antwerpen nog 3 en in Bourbourg nog 4, waarvan één novice is. Hun spiritualiteit is dezelfde als die van de kapucijnen. Maar bij hen ligt de klemtoon op de beschouwing. Zij zijn slotzusters. ADRESSEN - Monasrère de l’Immaculée, rue des Capucines 1, 59630 Bourbourg. We vermeldden reeds dat de Orde van de
Kapucinessen in 1614 door FRANCOISE TAFFIN werd gesticht. Dat de eerste zusters
een bloeiend ascetisch leven te Bourbourg leidden. Maar dat ze in 1644 deze stad
moesten verlaten wegens oorlogsomstandigheden. Mislukt begin Toen de acht zusters op 7 september 1644 in Brugge aankamen, hadden zij zich niet
verwacht aan een sterke tegenstand vanwege de plaatselijke bisschop. Gelukkig
waren er onder die eerste zusters drie uit Brugge zelf. Zo konden zij voorlopig
hun intrek nemen bij de moeder van één van hen. Aanvraag vanuit Brugge Bleek heel hun plan op die manier in duigen te vallen, toch was het hachelijk
verblijf van de kapucinessen in Brugge geen totale mislukking geweest. Vertrek uit Bourbourg Toen zijn brief in het klooster van Bourbourg aankam, lag Moeder Ancilla
(Catherina) zwaar ziek. Zij had de ziekenzalving ontvangen. Aankomst en moeizame stichting Op 25 maart 1652 kwamen ze in Brugge aan. De Heer van Pamele wachtte hen op
met zijn ‘carosse’. Hij ontving hen met uiterste blijdschap en bezorgde hen
een voorlopig onderkomen bij de zusters Colletienen. De 'suppressie' Een tachtigtal jaren leefden ze dan in een relatieve rust. Een leven van
gebed, werk en gemeenschapszin. Duistere voorboden De vreugde elkaar allemaal terug te vinden in hun vroeger kooster was enorm.
De viering was groot. En heel Brugge vierde mee. En onmiddellijk boden zich
nieuwe novicen aan. Het strenge maar intens vreugdevolle leven herbegon. Nieuwe werkschikkingen Ondertussen was ook Brugge bezet door Franse soldaten. In de Boeveriestraat De Franse Revolutie is voor de zusters verschrikkelijk geweest. Nog doornen Toch doken in Brugge weer moeilijkheden op toen in 1819 Koning Willem I
verbood nog novicen toe te laten. Deze maatregel duurde tot aan de Belgsiche
Omwenteling in 1830. Op naar de toekomst... De frisse wind van de postconciliaire tijd begon ook binnen deze oude
kloostermuren te waaien. Heel wat aanpassingen drongen zich op wilden zij reëel
en effectief beantwoorden aan de oproep van de Kerk op tot een levensecht
'aggiornamento' te komen. Monasterium Morgenster, Het kapucinessenklooster aan de Keizersvest in Gent bestaat 125 jaar. Eigenlijk een reden om te vieren. Maar de zusters laten het liever, rustig voorbijgaan. Zij zullen in hun communiteit wel een dankmis houden. En waarschijnlijk zal er die dag wel wat meer boter bij de vis zijn aan tafel. Honderdvijfentwintig jaar aan de Keizersvest, schrijven we. Maar ze zijn al veel langer in de stad Gent. In 1677 kwamen ze op Spriet. Dat is, juist geteld, 325 jaar geleden. Wel zijn ze op een bepaald moment verjaagd – gelijk alle religieuzen. En zo waren ze van 1797 tot 1877 in Merendree. Even terugblikken Om mee te delen hoe de zusters kapucinessen in Gent kwamen, moeten we ven heel vlug samenvatten wat we reeds in ons vorig nummer schreven n.a.v. de kapucinessen van Antwerpen. In 1581 werd te Saint-Omer (Frans-Vlaanderen) FRANCISCA TAFFIN geboren. Zij stamde uit de lokale adel. Op zestienjarige leeftijd huwde zij met Alexander Maes. Zij hadden twee kinderen. Toen haar man in 1614 overleed, wilde zij religieuze worden. Haar geestelijke leider was een kapucijn. Zij richtte haar woning in Bourbourg als een klooster in en leidde een ascetisch leven. Haar oudste dochter, en later ook haar tweede dochter, volgde haar daarin heel bewust. Twee begijnen voegden zich bij hen. Samen kregen zij de toestemming van de bisschop en van de magistraat om daar als religieuzen te leven. Spoedig volgden meerdere jonge vrouwen die bij hen wilden wonen. Daarom bouwden zij een klooster. Maar in 1644 moeten de zusters van Bourbourg hun klooster verlaten omwille van de oorlogsomstandigheden. Acht religieuzen trokken naar Brugge. Acht anderen naar Antwerpen. Stichtig in Gent In Gent kwamen de zusters op een heel andere manier terecht. Hier mogen we eigenlijk de Weledele Vrouwe LOUISE VAN LORREINEN als stichteres beschouwen. Vrouwe Louise was een weduwe van de prins DE LIGNE en nicht van de koningin van Frankrijk. Toen ze 42 was (1637) werd ze kapucines te Douai (klooster door Francisca Taffin gesticht in 1630). Zij nam de naam aan van Zuster Clara Francisca van Nancy. Politieke omstandigheden deden het later raadzaam vinden dat ze de wijk zou nemen naar het Belgsiche Bergen. Zij stichtte daar een klooster (in 1644), waar zij, na een heilig leven, overleed in 1667. Het was altijd haar inzicht geweest een kapucinessenklooster op te richten in Gent. Op haar sterfbed gelastte zij haar zoon, de prins De Ligne, met de uitvoering van haar plan. Het liep er niet van een leien dakje. Een eerste poging in 1672 mislukte, niettegenstaande de ijverige bemoeiingen en de daadkrachtige en milde steun van de prins. In 1676, onder de nieuwe bisschop Mgr. VAN HORENBEKE, ging het beter. Drie kapucinessen uit Bergen kwamen naar Gent en vestigden zich – na enige tijd verbleven te hebben in de abdij van Groenenbriel en Ter Haegen – op Sint Pieters in de Tijckstraat (nu de Kortrijksestraat). Hun huis werd vlug te klein. En omdat het aanpalende water een uitbreiding onmogelijk maakte, kochten de zusters een nieuwe woonst op de Reep (waar daarna de fabriek Lousbergh ondergebracht werd). In 1784 werd het klooster door keizer Jozef II afgeschaft. De religieuzen vonden er niets anders op dan zich te verspreiden in begijnhoven, andere kloosters, bij vrienden of bij mensen die hen goedgezind waren. Op 10 juni 1790 konden zij naar hun klooster terugkeren. Dit gebeurde met veel plechtigheid en 'onder buitengewonen toeloop van volk dat veel blijdschap toonde'... Aan de Keizersvest Maar de vreugde duurde niet lang. Op 28 december 1796 kwamen de Franse Sansculotten de zusters buitenzetten, zodat ze 'met hun bloote voeten in de sneeuw stonden die zeer dik lag'. Weer werd toevlucht gezocht bij vrienden en kennissen. Moeder Ancilla trok met zes medezusters naar Merendree. In 1807 werd daar voor de zusters een huis gekocht met geld, gegeven door Z.E.H. Vicaris GOETHALS, hun grote beschermer. Op verzoek van Mgr. FALLOT DE BEAUMONT openden ze er een school voor de arme kinderen van de parochie. Deze toestand bleef zo tot 1876. In dat jaar konden ze terugkeren naar hun vorige levensstaat. Want in hun tussentijd was er van een strikt onderhouden van hun Regel en Constituties geen sprake. Mgr. BRACQ bouwde voor de kapucinessen aan de Brusselselaan (de huidige Keizersvest) een klooster, waar zij op 24 juli 1876 hun intrek konden nemen. Het Instituut voor Tropische Geneeskunde kocht het Kapucinessenklooster in de Sint-Rochusstraat te Antwerpen. Beide gebouwen liggen recht tegenover elkaar. men moet slechts een straat met éénrichtingsverkeer oversteken en men zit bij de overbuur. Voor de zusters was het verlaten van het klooster noodzakelijk geworden. Van de eens zo bloeiende kapucinessen schieten nu nog vier zusters over. De twee jongsten van hen worden dit jaar tachtig. Voor het Tropisch Instituut komt dit eigenlijk heel gelegen. Daar moest dringend gezocht worden naar bijkomende leslokalen en burelen. Nu men het klooster kan kopen voorziet men dat in de loop van volgend jaar er reeds de eerste lessen kunnen doorgaan. Moeder Ancilla en de zusters Pia, Pacifica en Roza verhuizen niet graag. Zij moeten een sfeervol monasterium verlaten waarin zij bijna gans hun leven hebben gewoond. Als monialen kwamen zij slechts uiterst zeldzaam buiten. Daar de keuze van bestemming uiteindelijk gevallen is op het Tropisch Instituut, maakt hen blij. Zij hadden immers gehoopt dat hun monasterium in handen zou komen van mensen met een sociale bewogenheid. Zij zijn nu gerust dat het voor goede doeleinden zal worden gebruikt. Even ter toelichting over het Tropisch Instituut: De internationale mastercursussen die in het klooster zullen gegeven worden zijn gericht op wetenschappers en professionals die werken in tropische en ontwikkelingslanden. Onderwijs in tropische geneeskunde en gezondheidszorg in ontwikkelingslanden vormen een kernopdracht van het instituut. Tot op heden behaalden meer dan 17.000 artsen, verpleegkundigen, vroedvrouwen, biologen, dierenartsen, landbouwkundigen en laboranten er een diploma in tropische geneeskunde of diergeneeskunde. Ruim 1.000 buitenlandse studenten werden er opgeleid tot op master- of doctoraatsniveau. We nemen deze gelegenheid te baat om wat meer informatie te geven over het gebouw en over de zusters kapucinessen. Hoe kwamen de Zusters Kapucinessen aan dit gebouw? In 1642 kocht de kartuizergemeenschap van Vucht ('s Hertogenbosch) twee hoven in de Sint-Rochusstraat te Antwerpen. Twee jaar later werd er de eerste steen gelegd van een nieuw kartuizerklooster. Na vijf jaar stond het er en verhuisde de hele gemeenschap van Vught naar de nieuwe gebouwen. Drie jaar later begonnen de kartuizers een kerk te bouwen die in 1677 af was. Daar bij de kartuizers elk lid van de orde in een afzonderlijke kluis woont, was het domein nogal groot. Dit werd later (in 1866) grotendeels ingepalmd door de gevangenis, die er nog altijd is. Zoals in heel de streek werden onder 'keizer-koster' Jozef II en de Franse Revolutie de kloosterlingen verdreven. De gebouwen van de kartuizers van Antwerpen dienden als diamantslijperij. (Het was een diamantslijperij met 16 slijpmolens. De grootste diamant van de Franse Kroon is in hun kapel geslepen. 'Le régent noir' heette de steen. Na de Franse Revolutie is hun klooster een suikerraffinaderij geworden). In 1834 namen de zusters kapucinessen, die toen in de Schemerstraat woonden, hun intrek in de Sint-Rochusstraat. In 1908 werd de voorgevel gerestaureerd. En in 1955 werden de kerk, de kloostergebouwen en de binnenplaats beschermd. En hoe kwamen ze dan hier? Om dat te beschrijven dienen we eerst wat te zeggen over het ontstaan van de kapucinessen in ons land. We doen dit heel summier, in de hoop in een volgende aflevering wat meer te kunnen vertellen over hun ontstaan en hun geschiedenis. In 1581 werd te Saint-Omer (Toen Sint-Omaar in Frans-Vlaanderen) FRANCISCA TAFIIN geboren. Zij stamde uit de lokale adel. Als kind verbleef zij twee jaar als pensionaire bij de benedictinessen van Bourbourg (Broekburg). Op zestienjarige leeftijd huwde zij met Alexander Maes, raadspensionaris van de stad Bourbourg. Ze poogde haar leven als echtgenote en moeder te combineren met een vroom ascetisch leven. Toen haar man in 1614 overleed, kon ze haar droom – religieuze worden – realiseren. Haar geestelijke leidsman was een kapucijn. Zij dacht in diezelfde richting. Zij richtte haar woning als een klooster in en leidde een ascetisch leven. Haar oudste dochter volgde haar daarin heel bewust. Stilaan ontwikkelde hun leven tot echt religieus leven. Twee begijnen voegden zich bij moeder en dochter. De bisschop van Saint-Omer keurde de constituties goed. In hetzelfde jaar kreeg Francisca ook de toestemming van de magistraat. Het jaar daarop werden de eerste postulanten aanvaard. Omdat de communiteit reeds maar aangroeide, begon met de bouw van een klooster. De kerk werd in 1619 gewijd. De communiteit bestond toen reeds uit 22 leden/ In 1644 moest de communiteit van Bourbourg haar klooster verlaten omwille van de oorlogsomstandigheden. Acht religieuzen trokken naar Brugge. We zullen later over hen schrijven. Acht anderen gingen naar Antwerpen. Ze kwamen er in augustus aan en logeerden in het huis van Andreas Janssens, broer van de ancilla (d.i. letterlijk: dientsmeisje; bij de kapucinessen is dat de officiële naam voor overste) in de Hoogstraat. Na twee maanden verhuisden ze naar een huurhuis in de Arenbergstraat. Onder invloed van de priester Adrianus Moens veranderden zij van opzet. In plaats van voorlopig verblijf probeerden zij zich nu definitief in Antwerpen te vestigen. Maar het liep nog steeds niet van een leien dakje. Want een paar maanden nadien moesten ze naar de Blindenstraat verhuizen. In 1647 keerden drie zusters naar Bourbourg terug. Dank zij het werk van Adrianus Moens die naar een geschikte plaats zocht maar tegelijkertijd ook zorgde voor een voldoende dotatie, werd in 1648 de toestemming voor de nieuwe stichting verkregen van bisschop Nemius. De toestemming van de landvoord aartshertog Leopold verkrijgen was heel wat moeilijker. Na allerlei mensen in beweging gebracht te hebben, duurde het nog tot in 1653 vooraleer zij de toelating van de aartshertog kregen. Lange tijd zijn de zusters dan gerust gelaten en konden zij in alle stilte zich aan het moniale leven wijden. In januari 1782 openden de kapucinessen, op aanraden van bisschop Wellens, een school voor arme kinderen en konden ze zo de afschaffing door Jozef II overleven. Ze leefden heel sober. Toch lezen we dat in het klooster in 1787 een tekort had van 625 gulden. Op 3 december 1796 werd de inventaris van het klooster gemaakt. De kapucinessen hadden geweigerd om de ambtenaren binnen te laten, zodat deze met geweld het slot moesten verbreken. Op 6 januari 1797 werden ze dan uit hun klooster verdreven. De gebouwen werden verkocht en tot hun afbraak in 1843 nog als kazerne of magazijn gebruikt. Op de grond van het vroegere klooster werd daarna de huidige Kapucinessenstraat aangelegd. De communiteit zelf trok zich in 1797 terug in een huis aan de Prekerstrtaat. Het jaar daarop verhuisden ze naar een pand in de Kloosterstraat. Drie jaar later vestigden zij zich tenslotte in de huidige Maarschalk Gérardstraat. Eindelijk tot rust in de Sint-Rochusstraat In 1834 kochten de kapucinessen het vroegere kartuizerklooster in de Sint-Rochusstraat. Het jaar daarop trokken ze erin. Twee maanden na hun verhuis namen ze opnieuw het slot aan. De communiteit bestond op dat ogenblik uit 11 religieuzen, waaronder nog één moniale die de afschaffing had meegemaakt. Honderdvijfenzestig jaar hebben de zusters kapucinessen hier gewoond in alle teruggetrokkenheid en gebed. Ze waren graag gezien door heel vele Antwerpenaars en mensen uit de omgeving. Zij werkten voor hun onderhoud, wasten het linnen voor vele kerken, maakten hosties voor heel veel parochies. Zij vervaardigden op kunstzinnige wijze antipendia en voorwerpen, met een speciaal procédé in stro. Vooral kwam de laatste vijftig jaar veel volk naar de devotieplechtigheden voor de H. Rita. Door dit alles groeide een grote verbondenheid tussen een deel van de bevolking en de zusters. Niemand kan schatten hoevele bedrukte mensen of mensen met allerlei problemen hier in de spreekkamers om raad en steun gekomen zijn. Tot op vandaag zijn de kapucinessen de toevlucht in alle nood. Nu komt daar een einde aan. Vele mensen ontvingen van hen nog, zoals ieder jaar, een uitnodiging voor de H. Rita-oefeningen. Niettegenstaande de zusters tachtigers geworden zijn, is de toon van de uitnodiging nog even enthousiast als vroeger. juist vijftig jaar geleden werd voor het eerst het beeld van de H. Rita in hun kapel geplaatst. Sindsdien heeft de verering van de heilige een vaste plaats gekregen in het geestelijk leven van zovelen van hun bezoekers. Daarom staan "de vijftien donderdagen" (van 8 februari tot 17 mei) dit jaar in het teken van JUBEL en DANK. Neen, geen geweeklaag over het gebrek aan roepingen. De enkele maanden dat ze nog in dit monasterium zijn, willen de zusters God lofzingen en danken. En na deze 15 donderdagen zal het even heel stil worden. De zusters verhuizen voor de laatste maal.. Waar ze naartoe gaan? Het wordt nog gefluisterd. Zij zullen een gang kunnen huren in het Home Sint Camillus dat de zusters Augustinessen aan 't bouwen zijn. Een plaats dus om te rusten. Maar zullen ze er rusten? Dat staat niet in hun brief. Zij beëindigen hun uitnodiging met een zin die het tegenovergestelde doet vermoeden: 'Moge het U een steun zijn, te weten dat ook de zusters bidden voor U en al uw belangen..' Jan Wouters Kapucinessen te Bourbourg Enkele
jaren geleden zocht het parochieteam van Bourbourg (een parochie met 8
kerkdorpen) 'Capucines
de Bourbourg'... zij maken inderdaad deel uit van de geschiedenis van Bourbourg. Blijven we nu bij de Zusters van Bourbourg. De jaren die volgen zijn voor de stad een periode van strijd en overheersing: Franse, Oostenrijkse, Spaanse, weer Franse... met al hun gevolgen voor de bevolking. De communiteit bloeit... elk jaar komen nieuwe kandidaten de groep en de ijver vergroten. Maar zelfs het minimum om sober te leven ontbreekt dikwijls. Zuster Katharina van Breda (ancilla) vraagt in 1644 de toelating om 17 van de 27 zusters te laten vertrekken naar Antwerpen en naar Brugge, om zo in het levensonderhoud van de communiteit te kunnen voorzien. De Dertigjarige Oorlog spaart ook Bourbourg niet. Men is verplicht het nachtofficie in de kelder te bidden terwijl de kanonschoten de kapel en het klooster ernstig beschadigen. Koningin-moeder Anna van Oostenrijk, echtgenote van Lodewijk XIII, ontfermt zich over de zusters en laat hen elke dag brood bezorgen, terwijl de raadsheer van Mazarin op diens kosten het dak laat herstellen en elke zuster een nieuw habijt schenkt. Maar wat voor de kapucinessen wel erger was: het priestertekort had als gevolg dat zij niet elke dag de Eucharistie of de regelmatige preken hadden. Andere
onweerswolken dreigen: de Franse Revolutie. In februari 1790 komt het
'suppressie-decreet': de zusters mogen kiezen: of naar hun familie terugkeren of
samen in een rusthuis gaan. Om de drie maanden komt men de ledenlijst en de
inventaris nakijken... tot de uitdrijving volgt in 1791... de koe werd verkocht
maar nooit betaald, het brandhout wordt weggehaald, de groente van de tuin mogen
niet meer door de zusters gebruikt worden. Vanaf 1814 zoeken zes zusters naar Bourbourg terug te keren. Maar wanneer ze er in 1817 aankomen, herkennen zij met moeite nog de keuken en de refter. Zij vinden onderkomen in een huurhuis en dromen ervan ééns hun leven in het oorspronkelijke klooster te hervatten... De zusters zijn boven de vijftig, zonder huis, zonder inkomen, zelfs zonder bedden. Maar de
Heer en de bewoners van Bourbourg vergeten hun kapucinessen niet. Wie meent dat franciscaanse contemplatieven een rustig leven leiden, moet de geschiedenis van Bourbourg verder lezen. 1905. In Frankrijk wordt de wet van
scheiding tussen Kerk en Staat een realiteit. Nochtans... Edelmoedig en met groot vertrouwen beginnen zij nu een nieuw
hoofdstuk. De toekomst?... Een blik op de geschiedenis van Bourbourg is steeds bron van vertrouwen op de Heer... Bourbourg is en blijft 'Zijn' werk! Tot zover het relaas van Zr. Consolata. Wij
willen er zelf nog iets aan toevoegen. J.W. |