|
GESLOTEN KLOOSTERS:
1)
BRUGGE CLARASTRAAT
2) LOMMEL WERKPLAATSEN
3) BOOM
4)EDINGEN
5)
BRUSSEL
6)
BEERNEM
7)
LEUVEN
8) BRUGGE
KOMVEST
9 Aalst
1) Brugge
Clarastraat
|
Op 10 juni 1867
ontruimden de kapucijnen officieel het klooster op de
Vrijdagmarkt en brachten zij processiegewijs het H. Sacrament
over naar hun nieuwe nederzetting in de Clarastraat.
De ontruiming van het klooster op de Vrijdagmarkt is een
gebeurtenis geweest die destijds heel Brugge in beroering heeft
gebracht. Het klooster werd onteigend en afgebroken, eerst
gedeeltelijk en later in zijn geheel, om de Maatschappij van de
IJzerenweg toe te laten een station te bouwen en het nadien te
vergroten.
Een dramatisch
voorval illustreert op treffende wijze hoezeer de gemoederen
waren opgezweept. Een liberale spreker had gejuicht omdat de
kapucijnen het hadden moeten afleggen tegen de gemeenteraad en
er zijn vreugde over uitgedrukt “dat de schoonste uitvinding
van de moderne tijd niet tegen een stuk muur van de kapucijnen
was te pletter gereden!” Toen hij, onder dolle toejuichingen
van het publiek, van het podium stapte, werd hij getroffen door
een beroerte en stierf ter plaatse. Velen zagen hierin de vinger
Gods en men haalde de belofte aan gedaan door Christus aan
Franciscus, dat al wie zijn orde zou vervolgen, hiervoor
zichtbaar zou gestraft worden en op schandelijke wijze om het
leven zou komen.
De politieke
beroering bereikte haar toppunt toen vernomen werd dat de
kapucijnen besloten hadden ostentatief hun klooster te ontruimen
daags vóór de verkiezingen en hun vertrek “in ballingschap” met
kerkelijk ritueel zouden omlijsten.
P. Celestien
Daubresse van Wervik, toenmalig provinciaal, heeft aan deze
gebeurtenissen een pamflet gewijd: Une page d’histoire de
l’ancien couvent des FF. Mineurs Capucins de Bruges. Offerte
aux catholiques et aux libéraux de la Ville de Bruges. Bruges,
Librairie de L. Beyaert-Defoort, 1867. Wij vatten aan de hand
van dit pamflet het verloop van de ontruiming samen.
In 1838 liep
het gerucht dat Brugge een spoorlijn zou krijgen en dat het
station zou gebouwd worden op de Vrijdagmarkt. Naast een groot
aantal huizen zouden ook de kerk en het klooster worden
afgebroken. Toen de kapucijnen kennis hadden gekregen van het
onteigeningsbesluit, trok P. Bonaventura van Schulen naar
Brussel om bij het Ministerie en bij koningin Marie-Louise
protest aan te tekenen. Hij verkreeg dat niet het hele klooster
maar slechts een derde ervan zou gesloopt worden.
Dertig jaar
later kwamen kerk en klooster weerom in het gedrang toen
besloten werd het station te verbreden. Op 6 juli 1865 verscheen
er een koninklijk besluit waarbij toelating werd gegeven om de
percelen palend aan het station te onteigenen. Dit betekende een
rechtstreekse bedreiging voor de kapucijnen. Zij haastten zich
verzet aan te tekenen bij de Koning, de minister van openbare
werken en bij de commissie, die gelast was met het onderzoek “de
commodo et incommodo”. Zij beriepen zich op de historische
waarde en betekenis van het Brugse klooster voor de orde en
wezen op de pastorale complicaties, die zouden voortvloeien uit
het verdwijnen van kerk en klooster. Zij gingen zelfs zover een
tegenvoorstel in te dienen, nl. een nieuw station te bouwen
buiten de stad, ongeveer op dezelfde plaats waar het
tegenwoordige station werd topgetrokken. Dit plan zou niet
alleen financieel voordeliger zijn en voor de maatschappij en
voor de gemeente, maar bovendien sloot het onbeperkte
mogelijkheden in voor latere uitbreiding van het spoorverkeer.
Hun protest bleef deze keer echter zonder gevolg. Men gaf hun
weliswaar gelijk (ook de geschiedenis heeft hun achterna gelijk
gegeven!), maar voerde onverstoorbaar het oorspronkelijk plan
uit. Kerk en klooster werden afgebroken en de kapucijnen kregen
een vergoeding van 425.000 fr. voor de grond en de gebouwen en
bovendien nog een som van 11.665 fr. voor de inboedel. Een voor
die tijd behoorlijke vergoeding, vooral als men bedenkt dat
enkele tijd tevoren in het station een staatsminister, wijzend
naar het torentje, hardop had gebluft: “Heel dat uilenkot is
nog geen 100.000 fr. waard!”
Kerk en
klooster moesten in januari 1867 volledig ontruimd zijn, maar de
kapucijnen wisten een uitstel van zes maanden te bekomen. Begin
juni begon men de inboedel te verhuizen naar de Clarastraat en
P. Celestien noteerde, niet zonder ironie: “Men is altijd
rijk als men verhuist!”
Het officiële
afscheid van het klooster was vastgesteld op 10 juni. Daags
tevoren, op Pinksteren, werd onder massale belangstelling het
laatste ‘lof’ gehouden. Op het einde van de plechtigheid werd
meegedeeld dat het H. Sacrament ’s anderendaags plechtig en
publiek zou overgebracht worden naar de Clarastraat.
Op
Pinkstermaandag te 16 u. werd in de onttakelde kerk voor de
laatste maal het H. Sacrament uitgesteld. Te 16.30 u. werd de
zegen gegeven en verliet de processie de kerk. Voorop ging een
lekebroeder met het Kapucijnenkruis, vervolgens kwamen de
beelden van O.L.Vrouw, Donatus, Antonius en de schrijnen met
relieken. Het H. Sacrament werd gedragen door Celestien,
provinciaal. De Vrijdagmarkt zag zwart van het volk en duizenden
stonden te wachten in de straten waar de stoet voorbij zou
komen. Op het grondgebied van de parochie van St.-Gillis waren
de huizen bevlagd, had men erebogen opgericht en welkomteksten
uitgehangen. Op de plaats waar later de voorgevel van de kerk
zou komen was een rustaltaar opgericht. Na de zegen namen de
kapucijnen officieel bezit van hun nieuwe nederzetting. (Vox
Minorum, 21(1967), blz. 197-200.
In december
1866 werd het terrein der afgeschafte abdij der Urbanisten, in
de Clarastraat aangekocht. In maart 1867 werden de nog bestaande
gebouwen ingericht. Het nieuwe klooster werd gebouwd door
architect en aannemer Franciscus Leclef uit Antwerpen. In
december 1867 werd de kerk in opbouw door een stormwind
neergehaald. Kerk en klooster werden op 18 maart 1869 in gebruik
genomen.
Het klooster in
de Clarastraat was van 1933 tot 1967 het opleidingshuis voor de
studenten in filosofie. Naast het traditionele apostolaatswerk
van predikatie, derde orde, dienstbetoon aan de parochies is het
klooster vooral gekend om het werk voor schippers, foorreizigers
en woonwagenbewoners. Het schipperswerk was gevestigd langs de
Komvest (zie infra).
Celestinus van
Wervik, Serafinus van Brugge, Venantius van Roeselare, Henricus
van Groenlo, Gervasius van Zedelgem en Robert Tack hebben hun
stempel gedrukt op het werk voor de foorreizigers en
woonwagenbewoners.
Vanuit de
Clarastraat werd pater Karel Verleije medestichter van het
Europacollege en bleef zijn hele leven lang een fervent ijveraar
voor een verenigd Europa. P. Marcel De Bie werd de stichter van
Mariënhove, een school voor karakter-moeilijke kinderen.
Vele kapucijnen
hebben zich jarenlang verdienstelijk gemaakt in het onderwijs:
als professor wijsbegeerte voor de eigen ordeskandidaten, als
leraar godsdienst in verschillende middelbare scholen.
De beslissing
kerk en klooster te verlaten en te verkopen werd genomen op het
kapittel van 1967. De motieven voor deze beslissing waren: een
behoorlijk aanbod, het niet langer verantwoord bestaan van twee
grote kloosters te Brugge, de ontvolking van het klooster als
gevolg van de sluiting van het studiehuis voor filosofie, de
praktische onmogelijkheid de leegstaande gebouwen een nieuwe
bestemming te geven, de erbarmelijke materiële toestand van het
klooster en de hoge kosten van onderhoud en herstelling.
Op 29 september
1968 werd de kerk gesloten en op 11 oktober de gemeenschap
ontbonden. In de Schippersschool werd een hospitium opgericht en
de kapel tot publieke bidplaats verklaard. Op 3 februari 1969
werden klooster en kerk verkocht.
|
|
2) Lommel-Werkplaatsen
In 1904 werd de
zink- en zwavelzuurfabriek van Lommel-Werkplaatsen gebouwd door
de Duitse familie Schulte en kende op korte tijd een snelle
uitbreiding. In 1913 stonden er al vier woningen voor de
fabrieksdirectie, 13 voor de bedienden en 52 voor de werklieden,
een kapel, een hospitaal en een feestzaal.
De gemeente Lommel richtte er in 1912 een school en kerk op. De
bouw van de kerk werd voor de helft gefinancierd door de
zinkfabriek, maar bleef samen met het schoolgebouw, eigendom van
de gemeente. Vanaf 1907 deed P. Coopmans, Norbertijn van Postel,
de eerste kerkdiensten in de kapel van het hospitaal en vanaf
1912 tot 1925 in de Sint-Barbarakerk.
Op het kapittel van 8 augustus 1925 te Aalst werd beslist tot
de stichting te Lommel-Werkplaatsen. Op 13 augustus werden P.
Edmond, Hilduard en Juliaan naar Lommel gezonden. Ze vestigden
zich in de villa Sint-Norbertus, later de villa Sint-Franciscus.
Op 30 december 1925 werd de nieuwe parochie officieel erkend.
Na de aankoop
van een stuk braakliggende grond in 1929 werd in 1927 begonnen
met de bouw van het klooster en college.
In het Christus-Koning college was een lagere afdeling gevestigd
van het secundair onderwijs waar kandidaten voor de orde gevormd
werden. In 1954 bleven de twee voorbereidende jaren behouden en
vanaf 1967 tot 1969 werd het college een home voor jongens die
elders onderwijs volgden.
Naast het
parochiewerk, het onderwijs en het gewone kloosterapostolaat zal
men te Lommel-Werkplaatsen onder de bezielde leiding van P.
Cajetaan, een Mariapark aanleggen. De bouw van een Lourdesgrot
(1928), de oprichting van een H. Hartbeeld (1928) waren de
eerste realisaties. Daarop volgden de kapellen ter ere van
O.L.Vrouw van zeven Weeën (1933-1937), en de kruisweg
(1938-1949). Dit alles is het werk van Michiel Geysels uit
Westmeerbeek. Tot 1965 werden er elk jaar van mei tot oktober
bedevaarten ingericht.
In 1969
verlieten de Kapucijnen Lommel-Werkplaatsen en verhuisden zij
naar Lommel centrum. Dit huis werd het trefpunt waar de
verschillende medebroeders in de parochiepastoraal in de omtrek
dagelijks samenkwamen. (Lommel-Werkplaatsen, Stevensvennen,
Glasfabriek, Gerheiden, Heeserbergen, Strooiendorp). Het
klooster werd gesloten. De parochie werd overgedragen aan het
bisdom en het Mariapark werd in 1979 geschonken aan de
parochiale werken. Onder impuls van de gemeente werd in de jaren
80 de kruisweg gerestaureerd en de parochie draagt zorg voor het
onderhoud van het park.
In 1972 nam het
jongenstehuis Pieter Simenon zijn intrek in de vroegere
kloostergebouwen en aan hen verkocht in 1979. Na enkele jaren
werd alles gesloopt en vervangen door nieuwbouw.
In 1979 werd ook
het huis in Lommel Centrum verkocht, omdat door verplaatsing of
overlijden de opengevallen plaatsen niet meer werden ingevuld.
Zo kwam er een einde aan aan meer dan 50 jaar
kapucijnenaanwezigheid te Lommel en omstreken. Alleen Robert
Herte bleef er tot 19 als aalmoezenier van de
jeugdgevangenis te Mol.
|
|
3) Boom
Het idee om een
kapucijnenklooster te bouwen in de streek van Boom werd voor het
eerst voorgesteld door de E.H. Meeuwsen, pastoor van Hellegat in
1943. Het leek erop dat dit plan niet zou doorgaan omdat men
geen geschikte bouwplaats vond in deze arbeidersbuurt.
P. Hildebrand
Raes, die de stichting erg genegen was, gaf de stichting niet op
en trok in 1944 op eigen houtje op zoek naar een gepast
bouwterrein en kwam zo terecht bij een perceel gelegen aan de
Jan Frans Willemsstraat. Dit terrein, dat toebehoorde aan het
Bestuur van de Provincie Antwerpen, werd aangekocht op 1
september 1945 en een aanpalend perceel op 29 september 1945.
Op 7 oktober 1945 werd een soldatenbarak ingezegend als
voorlopige kapel. P. Romuald Kestens werd aangesteld als
bouwmeester. Op 13 juni 1946 werd de eerste steen gelegd van het
nieuwe klooster volgens de plannen van architect Bal en in
Boomse handsteen opgetrokken door de heer Brems, aannemer. Reeds
een jaar later, op 14 juni 1947, nam men zijn intrek in de nog
onvoltooide gebouwen. In augustus werd de eerste kloosterfamilie
samengesteld. Op 30 augustus 1948 werd de kerk geconsacreerd
door Mgr. Van Cauwenbergh en toegewijd aan het Onbevlekt Hart
van Maria.
Op 19 juni 1949
werd de kruisweg, door br. Maximinus van de Broeders van Liefde
geschilderd, ingezegend. Het lijdensdrama werd uitgebeeld met
hedendaagse figuren: de goeden, de teergevoeligen, de vakmannen,
de onverschilligen, de haatdragers, de schijnheiligen, de
huilers met de wolven, de nieuwsgierige meelopers, de officiële
barbaren. De laatste statie stelt een groep kapucijnen voor die
rond het graf staan waarin Jezus wordt neergelegd. Deze kruisweg
bevindt zich nu in de pandgang van het klooster te Meersel-Dreef.
Alle beelden in de kerk waren het werk van beeldhouwer Albert
Poels. De glasramen zijn het werk van tekenaar Piron en
glazenier Crickx uit Jette en een tweede reeks van glazenier
Marc De Groot uit Edegem, met overwegend franciscaanse heiligen.
Ze werden geplaatst tussen 1951 en 1955.
Heel wat activiteiten hadden plaats te Boom naast het gewone
kloosterapostolaat, zoals een franciscaanse kunstavond, een
recital van gewijde muziek, franciscaanse toneelavond, twee
preekstoelen gesprekken, autowijding, franciscaanse
kunsttentoonstelling, retraite voor intellectuelen, franciscaans
triduum, Oosterse liturgie, een kerststal op de autosnelweg, T.V.
missen, spelnamiddagen. P. Plechelm Staarink gaf er het
Volksweekblad uit en zijn naam is ook verbonden met de
oprichting van het Fioretti-koor en de actie Jeugd zonder land.
De sluiting van het klooster in 1979 zorgde voor heel wat
beroering bij de plaatselijke bevolking. Twee medebroeders
bleven nog enkele jaren ter plaatse voor de diensten in de kerk.
Het klooster werd in 1987 verkocht aan INFODO en is tot op heden
een tehuis voor doven.
4)
Edingen
Ludmille van
Lobkowicz, hertogin van Arenberg kocht op 15 maart 1841 de grond
van het gewezen kapucijnenklooster terug en in januari 1842
droeg de kerkfabriek van Edingen de gewezen kapucijnenkerk in
volle eigendom over. In september 1850 vroeg de hertogin aan F.
De Coninck, deken van Sint-Goedele te Brussel, onderhandelingen
te willen beginnen met de kapucijnen te Brugge over een
eventuele terugkeer. De deken had helemaal geen probleem om de
kapucijnen te overtuigen.
Op 7 oktober
1850 kwam pater Serafien van Brugge naar Edingen om de sleutels
van de kerk in ontvangst te nemen en de komst van zijn
medebroeders voor te bereiden. Voorlopig verbleven de
religieuzen in een huis, gelegen rechts van het oude klooster.
De plannen voor het nieuwe klooster werden getekend door pater
Anselm van Tielt. Op 13 september 1852 namen de kapucijnen hun
nieuw klooster in gebruik dat van toen af tot 1964 tevens
noviciaatshuis was. In de loop der jaren onderging het klooster
enkele grondige veranderingen en vergrotingen, vooral in 1932
door de bouw van een nieuw noviciaat.
In november
1918 werden het klooster en de kerk onder sekwester geplaatst
omdat ze eigendom van de hertog van Arenberg waren. In 1931
werden de gesekwestreerde en niet verkochte goederen van
Arenberg terug aan de eigenaar gegeven. Op 6 juli 1932 verkocht
de hertog het klooster aan de kapucijnen voor de symbolische
prijs van 20 F.
Bij de
splitsing van de Belgische provincie van de kapucijnen in een
Vlaamse provincie en een Waalse generale custodie op 4 juli 1958
werd het klooster van Edingen aan de Vlaamse provincie
toegewezen.
Wat de
aanwezigheid van de kapucijnen op moreel, religieus, spiritueel,
sociaal en cultureel vlak betekend heeft voor de mensen van
Edingen en omliggende is moeilijk te achterhalen of in te
schatten. De kapucijnen zijn niet naar Edingen gekomen om
heldendaden te verrichten maar om in gewone dagdagelijkse dingen
de geest van Franciscus te beleven en uit te dragen, om
dienstbaar te zijn voor iedereen. Deze houding van minoritas,
waar Franciscus zo’n nadruk op legde, wordt meestal niet vermeld
in de kronieken maar blijft verborgen in de stilte.
De kloosterkerk
werd druk bezocht, niet alleen voor het bijwonen van de
Nederlandse en Franse missen maar ook voor de individuele
geloofspraktijk. De devoties tot Onze Lieve Vrouw van Gratie,
Sint-Donatus en Sint-Antonius waren zeer bloeiend. Elke dag was
de kerk open zodat de mensen even konden verpozen, bidden,
biechten, een kaarsje offeren, kortom de aanwezigheid van God
ervaren. Het geloofsleven van de mens vertolkt zich immers ook
en vooral in kleine daden en eenvoudige woorden die uit het hart
komen en de geest bezielen.
We zouden nog
de aandacht kunnen vestigen op de Derde-Orde voor vrouwen en
mannen, de vele predikaties en zondagsdiensten in de omliggende
parochies, het jaarlijks missiefeest, het museum en archief van
Arenberg, die niet alleen het klooster maar ook de stad een
culturele meerwaarde gaven, de jaarlijkse processie van Onze
Lieve Vrouw van Gratie, het brood van Sint-Antonius voor de
armen, het engagement in kliniek enz.
Op 12 februari
1995 deelde het provinciebestuur mee dat de kapucijnen Edingen
zouden verlaten. De kerk werd gesloten op 1 juli 1996. De
kapucijnen vertrokken op 16 augustus 1996.
5) Brussel
Al in 1845 wilde
Jean-Baptiste Vervloet, pastoor van de Miniemen, de toelating
verkrijgen zijn veel te uitgestrekte parochie te splitsen. In
1848 richtte hij dergelijk verzoek tot de burgerlijke overheid.
Zijn vraag werd niet ingewilligd. Burgemeester de Brouckère was
gewonnen voor een nieuwe parochie en raadde de pastoor aan,
religieuzen te vragen om een nieuw klooster op te richten. Het
overgrote deel van de parochianen van de Miniemen waren arme tot
zeer arme mensen. De pastoor wilde vooral voor die
bevolkingsklasse hulp en bijstand zoeken.
Pastoor Vervloet
leerde de Kapucijnen kennen te Brugge. Hij zag onmiddellijk dat
zij de juiste mensen waren om te komen wonen te midden de armen
van zijn parochie. Hij trok naar het klooster te Brugge in 1850
om de Kapucijnen uit te nodigen op zijn parochie een klooster te
stichten. De Kapucijnen waren zeer blij om in de hoofdstad een
vestiging te beginnen maar daar toe moest wel een voldoende
uitgestrekt domein aangekocht kunnen worden.
Tien jaar later
werd een groot domein te koop aangeboden. Het was een fabriek
van sterk water, eigendom van de erfgenamen Pierre Joseph Vander
Elst, gelegen in de Huidevettersstraat en begrensd door de
Vossenstraat, Vossejongstraat (het latere Vossenplein) en de
Rattenstraat (latere Spaarzaamheidsstraat). De Kapucijnen
vroegen toelating aan Fornari, pauselijke nuntoius te Brussel,
op 8 juli 1852 en aan het Aartsbisdom op 29 september 1852.
Op 5 oktober
1852 werd de eigendom aangekocht en de Kapucijnen Benvenutus van
Rotterdam, Bonaventura van Grave, Pascal van Lochristi, kwamen
op 19 oktober te Brussel aan om hun nieuwe eigendom te
betrekken.
Een van de
bestaande gebouwen, gelegen aan de Vossegangstraat, werd
verbouwd tot voorlopige kapel en op 11 januari 1853 ingezegend
en voor het publiek opengesteld. Met de milde giften van rijk en
arm werd een nieuwe kerk gebouwd waarvan de eerste steen gelegd
werd op 19 oktober 1854. Op 22 december 1854 overleed pater
Justus van Tielt ten gevolge van typhus, opgedaan tijdens de
verzorging van de arme mensen in de “steegjes”, aangetast door
deze vreselijke ziekte.
De kerk was
onderdak op het einde van november 1855 en werd plechtig
geconsacreerd op 19 januari 1856. De kloostergebouwen,
gedeeltelijk de bestaande gebouwen en gedeeltelijk nieuwbouw,
werden opgetrokken in het verlengde van de kerk.
In 1866 woedde
gedurende een halfjaar de cholera te Brussel. In de omgeving van
het klooster zetten de Kapucijnen zich in om dag en nacht de
zieken te verplegen en bij te staan. Geen enkele pater stierf
ten gevolge van de cholera. De kapucijnen werden alom gevraagd
voor de predicatie en assistentie.
De
kloostergebouwen, in 1856 in der haast opgetrokken of verbouwd,
voldeden niet meer. In maart 1889 besliste men de oude gebouwen
af te breken. Op 3 augustus 1889 werd de eerste steen geplaatst
van het nieuwe klooster. Bouwmeester was broeder Stanislas van
Brugge. In september 1890 werden de nieuwe gebouwen betrokken.
Op 23 september
1912 werd de kloosterkerk parochiekerk. De eerste in heel de
orde. Eerste pastoor werd pater Remi van Aalst. Op de parochie
ontstonden verschillende parochiale werken: catechese, scholen,
kringen, patronage en jeugdbewegingen.
Vanaf oktober
1940 nam een kapucijn de zielzorg van de Italianen op zich. In
1947 kwamen twee Italiaanse kapucijnen, Pietro en Barnaba, deze
dienst overnemen, later opgevolgd door pater Benedetto.
Vanuit het
klooster deden de kapucijnen dienst in verschillende kerken,
kloosters en instituten, o.a. bij blinden, foorkinderen,
klinieken, doofstommen en op verschillende parochies.
In 1949 werd
voor de eerste maal, op het feest van Sint-Franciscus, een
dierenzegening gehouden.
In 1973 had het
stadsbestuur grootse plannen. De ganse wijk, deel van de
Huidevettersstraat naar de Oude Markt toe, zou met de grond
gelijkgemaakt worden. Er zouden elegante flatgebouwen en grote
kantoorruimtes komen en waar het Kapucijnenklooster stond zou
een prachtige ingang van de metro komen. In 1979 werden deze
urbanisatieplannen ingetrokken.
Het klooster
zelf ontvolkte en de vrijgekomen ruimte werd voor sociale
doeleinden gebruikt: kamers werden verhuurd aan studenten, met
de komst van Dr. J. Vermeire, groeide stilaan de gedachte iets
concreets te ondernemen voor armen en behoeftigen.In het
leegstaande patronaat met ingang aan de Zuinigheidsstraat
ontstond Poverello, dat vanaf 1980 zijn eigen weg ging.
De reorganisatie
van de parochiepastoraal in 1980 te Brussel bracht ook mee dat
de kerk van de kapucijnen andere functies kreeg. Zo werd ze de
ontmoetingsplaats voor de Nederlandse, Franse, Spaanse en
Italiaanse pastoraal, ieder met hun eigen pastor.
In de
conciërgewoning naast de kerk richtte p. Walbert Defoort de
Vrienden van de Oude Markt op.
In 1998 werd het
klooster opgeheven. In 1983 was het vroeger patronaat, pastorij
en tuin aan Poverello verkocht en in 1994 ook het klooster met
uitzondering van de voorgevel in de Huidevettersstraat. In 1995
werd de vroegere conciërgewoning verkocht aan ’t Huizeke en in
1996 werd de kerk in erfpacht afgestaan aan het bisdom. Het
gebouw in de Huidevetterstraat werd verhuurd en momenteel wordt
het gehuurd door Welzijnszorg.
6) Beernem
In september
1926 werd het “Staatsgesticht voor ondeugende meisjes”
overgebracht naar Namen. In 1928 werd dit gesticht en
eigendommen aangekocht door de Broeders van Liefde en werden “de
onopvoedbare kinderen” uit Zelzate voorlopig naar hier
overgebracht. In 1930 werden ze overgeplaatst naar Gent.
Intussen had men tussen 1928 en 1930 een administratiegebouw,
een keuken, drie paviljoenen, werkhuizen, een watertoren, een
lazaret en een dokterwoning gebouwd zodat de zieken van het
Sint-Juliaangesticht in de Boeveriestraat te Brugge naar hier
werden overgebracht.
Omdat de
Kapucijnen al dienst verleenden in het Sint-Juliaangesticht,
werden zij gevraagd om te Beernem de pastorale zorg op zich te
nemen zowel van de broeders als van der zieken. Zo kwamen de
Kapucijnen te Beernem op het einde van het jaar 1929. Eerst
woonde er P. Hilduard uit Hooglede alleen, maar in juli 1930
kwam P. Odilo van Roeselare hem vervangen. Het hospitium werd
officieel opgericht op 25 november 1930.
Met de Broeders
van Liefde werd een overeenkomst gesloten waarbij twee
kapucijnen de pastorale zorg op zich namen voor de Broeders en
voor de zieken en de Broeders een huis met inboedel ter
beschikking stelden. Later (1951) werd ook een kapucijn gevraagd
als lesgever in het noviciaat van de broeders en nam men ook de
zondagsdienst op zich te Maria-Aalter.
Zonder
onderbreking zijn de Kapucijnen zeventig jaar lang aalmoezenier
geweest te Beernem. De laatste van de lange rij was Cyriel Noyez,
die op 20 juni 2000 Beernem verliet.
Nadat de kapucijnen zich vanaf 1586 gevestigd hadden in de drie
grootste steden van het land, Antwerpen, Brussel en Gent, kwamen
ze in 1591 naar Leuven, met de bedoeling om bij de studerende
jeugd talrijke en bekwame novicen te vinden. Het klooster bevond
zich op de Kapucijnenvoer en was tot aan de Franse Revolutie het
noviciaatshuis van de Vlaamse provincie. Op 27 november 1796
werden de kapucijnen uit hun klooster gezet. In april 1797 werd
het klooster verkocht, in 1803 de gebouwen afgebroken en in 1819
kocht de stad het terrein om er een kruidtuin aan te leggen.
Na het herstel van de orde in de 18e eeuw werd door
de generale minister, Bernardus van Andermatt, sterk
aangedrongen dat kapucijnen een universitaire vorming zouden
volgen. Toen in 1897 de eerste kapucijnen zich inschreven aan de
universiteit te Leuven, ging men op zoek naar een
verblijfplaats. In 1898 werd een huis gehuurd in de Halfstraat.
Zonder het te weten koos men dezelfde straat waar ook de eerste
kapucijnen in 1591 een onderkomen hadden gevonden. Men verbleef
er enkele maanden totdat men een huis aankocht in de
Schapenstraat. Op uitdrukkelijk verlangen van kardinaal Mercier
werd in 1917 de oude Kartuizerij aangekocht en heringericht tot
een kapucijnenklooster. Vanaf 1921 woonden hier kapucijnen uit
binnen- en buitenland die studeerden aan de universiteit te
Leuven.
In al die jaren
heeft het klooster te Leuven zijn functie van studiehuis
behouden, maar het was ook een huis waar medebroeders ten
dienste stonden van de mensen, allereerst uit de eigen buurt.
Die verbondenheid heeft in de loop der jaren heel verschillende
vormen aangenomen.
Medebroeders
hebben zich dienstbaar gemaakt in zondagspredikatie,
vastenpredikatie, volksmissies, retraites, bonden van het H.
Hart, weekend assistentie op de omliggende parochies. Anderen
waren biechtvader of geestelijke leidsman, directeur van de
Derde Orde van Franciscus, begeleider van de bedevaarders die
troost en bemoediging zochten aan de grot. Weer anderen waren
aalmoezenier in de kliniek, leerkracht in het middelbaar
onderwijs, lector bij de conventuelen of professor aan de
Universiteit. En dan waren er ook nog die aalmoezenier waren in
een jeugdbeweging of op jeugdkampen, die gehuwden en verloofden
begeleidden, die werkten voor onze missies in Pakistan en Ubangi,
medepastoor waren op de Sint-Jacobsparochie, mislezer in
verschillende zusterskloosters en instituten. De lekenbroeders
zorgden voor de goede gang van zaken in het klooster als
portier, koster, kok, kleermaker of tuinman. Zij vooral gaven
een gezicht aan dit klooster.
Met de buurt
werd heel sterk meegeleefd in de oorlogsjaren van 1940 – 1945.
Velen hebben bange uren en nachten doorstaan in onze kelders.
Een gedenksteen aan de grot herinnert nog altijd aan die
periode. “Gij hebt ons de vree gebracht, na zo menige bange
nacht. Daarom dankt en zweert u trouw Onze Lieve Vrouw”.
In 1967 werd het
Centrum voor Kerkelijke Studies (CKS) opgericht te Leuven. Een
opleidingscentrum voor de priester kandidaten van verschillende
ordes en congregaties. Het klooster te Leuven kreeg er toen een
nieuwe functie bij. Het werd het studiehuis van de provincie. De
seminaries voor filosofie te Brugge en voor theologie te Izegem
werden gesloten en onze priesterkandidaten kwamen naar Leuven om
aan het CKS hun opleiding te voltooien. Op dat moment was het
klooster te klein. De vaste bewoners verhuisden en hun plaats
werd ingenomen door de studenten en enkele lektoren. Het was
maar van korte duur, want nieuwe kandidaten bleven uit.
In 1972 bereikte
de Vlaamse provincie van de kapucijnen een dieptepunt. De
laatste studenten werden priester gewijd en nieuwe kandidaten
boden zich nog maar sporadisch aan. In een poging om het tij te
keren werd vanaf 1975 het Leuvens klooster kandidatencentrum en
noviciaatshuis om nieuwe kandidaten, postulanten en novicen op
te vangen en te begeleiden. Meer dan 50 kandidaten zijn hier
gepasseerd, veel energie werd in hen gestoken, allen hebben nog
de beste herinnering aan dit huis ook al zijn zij andere wegen
gegaan.Daarbij kreeg dit huis nog andere functies.
Nadat vanaf 1970
het bestaande gebouwencomplex grondig en vakkundig gerestaureerd
was, werd in 1975 in het gebouw aan de Franciscusweg de centrale
bibliotheek van de Vlaamse provincie ondergebracht.
Dit huis werd ook de
thuisbasis voor onze missionarissen uit Pakistan en Congo. De
Missieprocuur en het missiesecretariaat waren er tot 1978
gevestigd. Vanuit Leuven werden grootse missie expo’s
georganiseerd en tot vorig jaar vond ook CDI Bwamanda België er
onderdak. CDI staat voor ‘Centre de Développement Intégral’, een
ontwikkelingsproject dat een integrale streekontwikkeling beoogt
in het vroegere missiegebied van de Vlaamse Kapucijnen in het
Noord-Westen van Congo, de Ubangistreek en volledig door leken
wordt gedragen, zowel in Congo als hier in België.
De Vlaamse
kapucijnen hebben zich ook altijd het lot aangetrokken van de
marginalen in onze maatschappij, rondtrekkenden zoals zigeuners,
woonwagenmensen, van circusmensen, foorkramers, schippers en
respect gevraagd voor hun manier van leven. Te Leuven kregen
vanaf 1983 meer dan 200 gezinnen van rondtrekkenden hun
residentieadres in ons klooster. Elke dinsdag en vrijdag konden
zij er terecht voor hun correspondentie en met al hun vragen en
miseries.
Aan dit alles is
nu een einde gekomen. Op 21 oktober 2005 verlieten de kapucijnen
Leuven en het klooster verkocht aan de KU. Leuven.
Bankstraat 75
3000 Leuven
|
 |
Beknopte
geschiedenis van het klooster te Leuven
Sedert de oude kartuizerij in 1917 aangekocht werd (zie elders), had
de Leuvense fraterniteit als taak medebroeders die aan de universiteit
studeerden, gastvrijheid te verlenen. Het betrof hier eerst en vooral de
medebroeders van de eigen provincie maar er waren ook medebroeders te
gast uit andere landen.
Toen in 1967 het C.K.S. (Centrum Kerkelijke Studies) opgericht werd,
kwamen alle jonge medebroeders voor hun filosofische en theologische
studies naar het klooster in Leuven. Deze periode duurde niet lang omdat
nieuwe medebroeders op zich lieten wachten.
De fraterniteit vervulde ook een vormingsopdracht, allereerst op het
vlak van de inleidende vorming. Wanneer er nieuwe kandidaten kwamen,
maakten deze hun inleidende vorming door in de Leuvens fraterniteit,
althans het postulaat en het post-noviciaat. Voor het noviciaat en het
eerste jaar na het noviciaat werd samengewerkt met de Vlaamse en
Nederlandse franciscanen en conventuelen en deze interprovinciale
vorming ging door in Eindhoven en Brussel.
Later verleende de Leuvense fraterniteit ook gastvrijheid aan
buitenlandse studerende medebroeders, vooral uit Indië.
Het klooster bergde ook de centrale bibliotheek van de Vlaamse
provincie die - mits een afspraak te maken - ook door niet-kapucijnen
geraadpleegd kon worden. Deze bibliotheek bevatte onder meer de
waardevolle werken uit de vroegere uitgebreide bibliotheken van de
afzonderlijke kloosters, de werken van en over medebroeders. De
bibliotheek was vooral goed voorzien op het gebied van franciscaanse
spiritualiteit.
* Het klooster bood ook onderdak aan de burelen van het
ontwikkelingsproject C.D.I. Bwamanda. (www.cdibwamanda.be)
|
|
|
De oud-kartuizerij te Leuven
|
DE OUD-KARTUIZERIJ TE LEUVEN
Ongeveer iedere toerist, die de Franse
Alpen intrekt, heeft tussen Chambéry en Grenoble “La Grande
Chartreuse” op zijn reisroute staan. Dit klooster, de vermaarde
bakermat van de Kartuizerorde, ligt op een duizend meter hoogte.
Hier stichtte Bruno von Hartefaust (°Keulen 1030) in 1080 de
beschouwende orde van de kartuizers. De kartuizers zijn de
westerse vorm van de ‘laura’, de oosterse kluisgroep, waarin
elke monnik eenzaat is, maar waar er toch een strikt minimum aan
gemeenschap bestaat.
Vanuit ‘La Grande Chartreuse’ verspreidde
de kartuizerorde zich over de West-Europese landen. In de
Zuidelijke Nederlanden vestigde zij zich in de 14de
eeuw, nl. te Herne bij Edingen in 1311; te Brugge in 1318; te
Kiel bij Antwerpen in 1323; te Rooigem bij Gent in 1328; te
Zelem bij Diest in 1329; te Luik in 1357; te Chercq bij Doornik
in 1377; te Scheut bij Brussel in 1454 en te Leuven in 1486.
Al deze kartuizerijen werden door een
decreet van Jozef II op 25 april 1783 afgeschaft. Een oude muur
of poort, een park of een naam aan een straat of een wijk, is
bijna alles wat de kartuizerorde in ons land heeft
achtergelaten, met uitzondering van de kartuizerij te Leuven,
die nog een tamelijk goed voorbeeld geeft van wat een
kartuizerklooster was.
Een kartuizerklooster
Het gebouwencomplex van een
kartuizerklooster bestond uit:
- een groot pandhof met in het midden een put of een pomp;
- een grote pandgang die de kluizen en de kerk met elkaar
verbond;
- 13 of 24 individuele kluizen voor de monniken;
- de gebouwen voor gemeenschappelijk gebruik, rond een kleine
pandgang geschikt:
* kerk en sacristie
* kapittelzaal
* afzonderlijke refter voor monniken en broeders
* keuken
* bibliotheek, meestal boven, de sacristie en de
kapittelzaal
* een wasplaats en een scheervertrek;
- woon- en werkplaatsen voor de broeders;
- een boerderij;
- een buitenkapel;
- een poortgebouw;
- een gastenverblijf;
rond het eigenlijke kloosterterrein was gewoonlijk een gracht en
aan de binnenzijde daarvan een ringmuur.
Dit gebouwencomplex – dat op zich reeds een
aanzienlijke oppervlakte bedroeg – lag oorspronkelijk buiten de
stad, midden landerijen die aan het klooster toebehoorden. Op
deze wijze wilden de kartuizers hun eenzaamheid waarborgen. Toen
veiligheidsoverwegingen hen er toe deed besluiten om binnen de
stadsmuren een klooster op te richten, probeerden zij ook, voor
zover mogelijk, in bezit te geraken van de terreinen die paalden
aan het klooster, om voor bebouwing of verkeer in de nabijheid
gevrijwaard te blijven. |
 |
De inrichting van
een kartuizenklooster
Al kenden de kartuizerkloosters
geen eenvormige schikking van de gebouwen, omdat men
o.a. rekening hield met de bodemgesteldheid en de
aanwezigheid van bestaande gebouwen, toch kan men in het
algemeen zeggen dat ze als volgt ingericht waren.
Een poort in de kloostermuur of een
poortgebouw gaf toegang tot de kartuizerij. In dit
poortgebouw woonde de broeder-portier. In of bij de
poort was een afdak waar armen werden geholpen.
Door de kloosterpoort kwam men in
een ruime binnenplaats waar een boerderij en de werk- en
verblijfplaatsen van de lekenbroeders lagen, die in
gemeenschap leefden. De cellen van de broeders lagen
dikwijls op een verdieping boven de werkplaatsen.
Totaal gescheiden van dit gedeelte,
lagen in de grote pandgang de kluizen van de monniken.
Zo’n kluis kan men zich voorstellen als een woning met
een ommuurd tuintje, op voldoende afstand van elkaar, om
de eenzaamheid te waarborgen. |
|
|
De toegangsdeur bevond zich in de grote
pandgang. Naast deze deur was een loket waardoor de monnik zijn
maaltijden in ontvangst nam. Door de achterdeur kwam men in een
galerij, die zich over de gehele lengte van het tuintje
uitstrekte. Aan het eind van deze galerij lag het toilet. De
kluis zelf bestond op het gelijkvloers uit een ruimte voor
brandstoffen en een werkplaats. Langs de trap kwam men op de
bovenverdieping in een voorvertrek met een kleerkast, een tafel
en een beeld van de Moeder Gods. Daarnaast lag het eigenlijke
woonvertrek met een bedstede, een koorstoel, een kachel, een
schrijftafel, een boekenrek en een paar stoelen. Aan het venster
was een soort klaptafel waaraan gegeten werd.
Voor de gemeenschappelijke noden had men het kleine klooster,
dat o.a. bestond uit de kerk, de sacristie, de kapittelzaal, de
bibliotheek, de refter, de keuken, een wasplaats en een
scheervertrek.
De kartuizers waren de eerste orde die
consequent verzaakten aan een kerk met drie beuken
(basilicastijl). Zij ontwierpen een eigensoortige kerk met één
beuk (zadelkerk). Een type dat later door de bedelorde werd
overgenomen. De lengte van deze kerk was minstens 24 meter en
zelden breder dan 8 meter. Om de proportie te behouden was ze
redelijk hoog. De kerk bestond achtereenvolgens uit het koor van
de broeders, een muur (in de gotische tijd ontwikkeld tot een
doksaal), het koor van de monniken en het altaar dat op een
verhoog stond. Ze had twee ingangen: een hoofdingang aan de
Westkant voor de broeders en een ingang aan de Oostkant voor de
monniken. Boven op de nog stond een dakruiter.
De sacristie lag meestal bij het kooreinde
van de kerk. Hierbij sloot de kapittelzaal aan. Dikwijls was de
bibliotheek in de verdieping boven de kapittelzaal
ondergebracht.
De refter van de monniken was een
eenvoudige rechthoekige ruimte. Alleen op zon- en feestdagen
kwamen zij hier samen voor de maaltijden. Op andere dagen at
ieder in zijn kluis. De refter van de broeders grensde aan die
van de monniken, doch zo dat men elkaar niet hinderde bij het
voorlezen. De keuken sloot hierbij aan.
Elke kluizenarij had ook in het klooster
een gastenverblijf voor mannen en een huis buiten het
woongedeelte van de religieuzen voor de vrouwen. Voor de
omwoners van het klooster was ook een kleine buitenkapel
voorzien.
In het algemeen kan men een kartuizerij
karakteriseren door het strikt functionele karakter van haar
gebouwen die uitmuntten door hun eenvoud en hun beperking tot
het noodzakelijke. Oorspronkelijk bestond een kartuizerij uit
twee totaal van elkaar gescheiden kloosters die op een twee
kilometers van elkaar gelegen waren. Later werden het broeders-
en monnikenklooster tot één geheel samengevoegd.
Chronologische bouwgeschiedenis van de
kartuizerij te Leuven.
De kartuizerij van Leuven is de derde
laatste kartuis die in de Nederlanden gesticht werd. Zij is
echter de eerste die binnen stadsmuren werd gebouwd.
Als stichter van de kartuizerij wordt
Wouter Henry alias Waterlet genoemd, kapelaan van Karel de
Stoute, omdat hij – waarschijnlijk met andere personen – op 19
december 1486 het domein Redingen kocht voor de bouw van een
nieuwe kartuizerij. Dit terrein lag tussen wat nu de Bankstraat
en de H. Geeststraat is en de stadswallen.
Op 10 december 1489 gaf de stad Leuven
toelating tot de bouw, dank zij de tussenkomst van Margareta van
York, weduwe van Karel de Stoute. Zij zelf kwam de eerste steen
leggen.
De echte bouwwerken begonnen in 1492 nadat
de eerste drie religieuzen te Leuven waren aangekomen op 21
oktober 1491.
De bouw van het klooster werd begonnen met
het optrekken van twee kluizen in 1492. Vanaf 1495 tot 1502
werden er acht kluizen gebouwd. Van 1504 tot 1508 komen er nog
zeven bij en na een onderbreking van tien jaar (1518) nog eens
twee. De laatste twee kluizen werden opgericht in 1528. In
totaal 21 kluizen.
Met de bouw van de grote pandgang die de
kluizen onderling verbond, werd begonnen eind 1497. Men weet dat
de grote pandgang werd afgewerkt, maar niet in welk jaar. De
kleine pandgang werd eveneens omstreeks 1497 begonnen en
ingewijd in 1501. Hij werd afgewerkt in 1529.
De bouw van de kerk gebeurde in twee keer.
Op 30 maart 1498 werd de eerste steen gelegd, terwijl omstreeks
Pinksteren begonnen werd met het leggen van de fundamenten. De
ruwbouw kwam klaar omstreeks 1489. Op 21 januari 1055 werd het
kruis op het torentje geplaatst en eind maart 1501 in
aanwezigheid van ordes en kerkelijke autoriteiten. In 1528 was
het tweede gedeelte van de kerk en het koor van de monniken
volledig afgewerkt.
In 1506 werd begonnen met de bouw van een
kamer voor gasten en de keuken. Naast de keuken werd een klein
huis gebouwd voor de knechten. Pas in 1520 werd begonnen met de
bouw van een gastenverblijf en de refter van de religieuzen.
Deze gebouwen kwamen klaar in 1521. Tot dan toe gebruikten de
monniken één van de kluizen als refter. In 1522 werd de keuken
voor de gasten afgewerkt.
De ganse Oostzijde werd in 1530 volledig
afgewerkt: in 1529 was men begonnen met de afwerking van de
kleine pandgang; bij de kerk werden drie kapellen gebouwd, de
sacristie, de kapel van het H. Kruis en de kapittelzaal.
Gedurende de 205 jaar van haar bestaan als
kartuizerij kennen we slechts enkele gegevens over veranderingen
en aankopen van terreinen.
In 1567 geeft het generaal kapittel
opdracht tot de bouw van een kloostergevangenis.
In 1612 kocht men het terrein tussen de H. Geeststraat en de
Kapucijnenvoer.
Op 16 augustus 1614 brak er brand uit in de paardenstallen.
In 1718 werd een grote pomp geplaatst in de grote pandhof.
In 1780 werden de kluizen ten Noorden en ten Westen van de grote
pandgang afgebroken om van het onderhoud af te zijn.
Het klooster verkreeg in de loop der jaren
volgende bezittingen:
Bossen in Holsbeek (1496), in Blanden en Binkom (1513) en in
Bierbeek (1612); de hoeve Ter Elst te Heverlee (1508); ’t
Overbiest te Korbeek-Dijle (1513) en een hoeve op het
grondgebied Loonbeek en Neerijse (1607).
Opheffing van de kartuizerij en verder
lotgevallen.
De kartuizerij werd gesupprimeerd door een
decreet van Jozef II op 25 april 1783. Tussen 24 en 30 juni 1783
verlieten de religieuzen het klooster. Het jaar daarop werden de
meubels en schilderijen verkocht. Het kerkgestoelte is terug te
vinden in het koor van de Sint-Michielskerk te Leuven, in de
kerk van Kortrijk-Dutsel bij Leuven, en een gedeelte bevond zich
te Bertem en werd, met de restauratie van deze romaanse kerk,
omgewerkt tot houtwerk voor de sacristie. Het hoofdaltaar werd
overgebracht naar de parochiekerk van Tremelo. De monumentale
pomp uit de pandhof bevindt zich thans in de Tiensestraat te
Leuven.
Het gebouw is meerdere malen gebruikt
geweest als kazerne. Door de soldaten werd er mettertijd veel
schade berokkend. Vooral noodlottig voor de gebouwen was een
ontploffing van verscheidene wagens munitie van het Franse leger
in 1793.
Tijdens de Franse revolutie ging men over
tot het verkopen van de kartuizerij. In 1806 werd de kerk
afgebroken.
Wat eer nu van overblijft.
De toegangsweg naar het huidig klooster,
die de Bankstraat met de Tervuurse Vest verbindt, splitst de
oude kartuizerij in twee grote delen. Het ene Oostwaarts naar de
Kapucijenvoer toe, omvat de vroegere communiteitgebouwen van de
kartuizerij samen met de gesloopte kerk. Het andere deel strekt
zich Westwaarts uit, in de richting van de Tervuurse Poort. Hier
stonden de kluizen van de monniken langs de grote pandgang. Het
enige wat er van overblijft zijn de bouwvallige buitenmuren van
de pandgang. Wie aandachtig toekijkt zal nog de sporen ontdekken
van deuren die toegang gaven tot de kluizen of van luikjes waar
het eten werd doorgegeven. Ook ziet men hier en daar nog
vermergelde kapitelen die de ribben der gewelven ophielden.
Alleen de muur die gelijkloopt met de Franciscusweg vertoont,
wanneer men van de Bankstraat komt, de bouwtrant van de
galerijen zoals hij er uit zag aan de kant van de pandgang. Men
merkt er nog de contreforts, schoormuurtjes en toegemetselde
vensters.
De twee poorten op de Franciscusweg en de
poort die toegang geeft tot de moestuin zijn niet
oorspronkelijk. Zij werden gebouwd in de jaren ’20, enigszins
naar het model van een barokpoort die nog in de groep van de
centrale gebouwen bewaard bleef.
Van de centrale gebouwen is vermoedelijk
het gastenverblijf, de refters, de kapittelzaal, de H.
Kruiskapel en de sacristie overgebleven. Vermeldenswaard zijn de
gotische gewelven in de kapittelzaal, de priorkapel en de
sacristie.
(Br. Stan Teuns, Handdruk jg. 35, nr. 2
april 2005) |
|
Het eerste klooster
Nadat de kapucijnen zich gevestigd hadden in de
drie grootste steden van het land, Antwerpen, Brussel en Gent,
de oude burchten van het stervend Calivinisme, zouden ze
gelijktijdig te Leuven en te Douai een nieuwe stichting
beginnen, de twee plaatsen van het land waar een hogeschool
gevestigd was. De bedoeling is duidelijk en sommige oude teksten
zeggen het duidelijk: Men wilde in die centra onder de
studerende jeugd talrijke en bekwame novicen vinden.
Reeds in de eerste weken van 1591 probeerde men
dat te Leuven, maar het zou een moeilijke onderneming blijken.
Men stuurde twee predikanten, Joannes van Landen en Jacobus van
St-Omaars, naar de universiteitsstad. Leuven maakte echter in
die jaren een vreselijke crisis door als gevolg van de oorlogen
en onlusten van de 16de eeuw. |
 |
| Veel inwoners waren gevlucht omdat zij
voordurend geplunderd werden door slechtbetaalde militairen die
van roof en diefstal leefden. De pest had in 1578-79 drie vierde
van de bevolking weggemaaid, zodat meer dan 2000 woningen werden
afgebroken en hele straten verdwenen. In 1597-98 telde het eens
zo bloeiende Leuven slechts 6.868 volwassen inwoners.
In die omstandigheden bleek een stichting van een
kapucijnenklooster moeilijk uitvoerbaar. Joannes en Jacobus
vonden genoeg blijken van genegenheid, ook van de burgemeester,
maar weinig daadwerkelijke hulp. Voorlopig namen ze hun intrek
in een vochtig huis naast het klooster van de Elfduizend
Maagden, in de Halvestraat, rechtover een arm van de Dijle, maar
toen bleek dat niemand hen kon helpen verlieten zij de stad.
Spoedig echter zouden de zaken een nieuwe wending nemen.
Nauwelijks weren ze vertrokken of Jacobus de Bay (Bajus), een
neef van de bekende theoloog Bajus en zelf doctor in de
theologie, voorzitter van het Savoy-college en later deken van
Sint-Pieter schonk een erf, dicht bij de Voer. |
 |
Het erf zelf was te klein voor een klooster en
daarom stelde Bajus aan de eigenares van het aanpalende erf voor
haar eigendom te verkopen, maar zij weigerde. Men besliste dan
toch maar op het beschikbare terrein een klooster te bouwen. In
juli 1591 begon men met de bouwwerken, waarvan br. Masseüs van
Grave, na zijn professie op 12 augustus, de leiding overnam. Het
werk ging vlug vooruit, zodat men reeds op 8 maart 1592 het
nieuwe klooster, met ingang aan de H. Geeststraat, kon
betrekken. Intussen bouwde men verder. Bereidwillige medeburgers
voerden stevige eiken aan uit het Meerdaalwoud "tot behoeff
van de Ordre van de Capochienen, tot maeckinghe van hunne
capelle". Deze kerek werd op 27 januari 1595 ingewijd. |
| Intussen was echter de buurvrouw gestorven en
had haar eigendom overgelaten aan haar dochter. Ook deze wilde
het erf niet verkopen aan de kapucijnen. Zij verhuurde het huis,
maar nauwelijks hadden de nieuwe bewoners het huis betrokken, of
het begon er te spoken! Het tinnen keukengerief ging aan het
dansen op planken en rekken; een huisdier werd door een
onzichtbare hand geplaagd en doodgemarteld. Onder de gedaante
van een rosse boer, verscheen een kwade geest, die de huisvrouw
kwam plagen en storen. Spoedig daarna zegde zij de pacht op.
Bajus zelf hoorde het verhaal van de geplaagde buurvrouw.
Daarop betrokken twee gezusters het huis. Reeds de eerste
nacht kwam de kwade geest met groot gedruis van de zoldertrap
gestormd, viel de slaapkamer binnen en trok één van de vrouwen
bij de haren omhoog. Na angstig bidden, het aansteken van de
gewijde kaars en de belofte om onverwijld het huis te ontruimen,
week het spook. Maar diezelfde nacht kwam het spook hen voor een
tweede maal verschrikken. Men kan zich voorstellen dat ze zich
's morgens haastten om het gevloekte huis te ontruimen.
Spoedig stond heel de buurt in rep en roer om het gebeurde
en nog dezelfde dag (26 maart 1592) kwam de eigenares, samen met
haar voogden, Bajus opzoeken en tegen de middag werd hij de
koper van het eigendom. Hij schonk het natuurlijk aan de
kapucijnen en de boze geest wachtte zich wel nog ooit terug te
keren.
Deze spookgeschiedenis vertelt Bajus zelf in een brief van 10
juni 1598 aan D. de France, voorzitter van de provinciale raad
van Assisië en Joannes van Landen en Masseüs van Grave
bevestigden de waarheid van het gebeurde. Masseüs verklaart dat
hij de grond van het verhaal als echt kan waarborgen. Hij heeft
de twee gezusters het huis zien betrekken en kort daarop weer
verlaten en van de eerste bewoonster heeft hij het verhaal van
haar lotgevallen vernomen. Spoken of geen spoken, het
belangrijkste is toch wel dat de kapucijnen dit aanpalend erf
verwierven.
Het tweede klooster op de Kapucijnenvoer
Omdat het aantal novicen bleef toenemen en de oversten
beslisten het noviciaatshuis definitief te Leuven te vestigen,
werkte men vanaf 1611 aan de uitbreiding van de eigendom en keek
men uit naar geldmiddelen om een nieuw, ruimer klooster te
bouwen. Het eerste klooster, dat gebouwd was voor een tiental
kapucijnen, bleek veel te klein en met uitzondering van het koor
en de slaapplaats, bestond het uit onderaardse kamers en
kelders.
In 1611 kocht men een nabijgelegen huis en erf aan, in 1613
schonk de stichter Bajus nog een nabijgelegen tuin en boomgaard
en op 14 juli 1615 kreeg men nog een stukje grond dat tussen het
klooster en de Voer lag. Aartshertog Albert en de universiteit
zorgden in 1612 en 1613 voor een ruime toelage.
Onder leiding van P. Albertus van Gent en na ham, P. Lodewijk
van Brussel, bouwde men een nieuw klooster. De ingang kwam nu
aan de Kapucijnenvoer, recht tegenover de Minderbroedersstraat.
In september 1613 legde Bajus de eerste steen van het nieuw
gebouw. Vanaf 1615 vestigde men er het noviciaat. Mgr. Zoes,
gedelegeerd door aarstbisschop Hovius, wijdde eers op 4 oktober
1618 de kerk.
Over het leven in het klooster is verder weinig bekend omdat
het archief van het klooster verloren ging met de Franse
Revolutie. Het weinige dat we weten, heeft P. Hildebrand
samengebracht.
De kerk was heel klein en arm aan kunstwerken. Boven het
hoofdaltaar hing een doek van Gerard Segers; de verheerlijking
van Maria, patrones van de kerk en elders in de kerk een
afbeelding van Jezus, die de Cedronbeek doorwaadt. |
De ingang van het klooster lag links van de kerk
en was bereikbaar via een brug over de Voer. Zoals elk
kapucijnenklooster vormden de gebouwen een vierkant met een
pandhof in het midden. In 1629 was er plaats voor 35 kapucijnen,
en in 1725 voor 41 omdat men toen ook de logeerkamers als
woonruimte gebruikte.
De tuin, waar nu de Kruidtuin ligt, strekte zich uit van de Voer
tot de Heilige Geeststraat en had toen al een vijver die in 1736
nog vergroot werd. |
|
|
Het klooster telde rijke vrienden en
weldoeners. Onder hen natuurlijk Jacobus de Baye, stichter van
het klooster, priesters, adellijke families,
universiteitsprofessoren, vrome dames, handelaars, de abten van
de abdijen van Vlierbeek, het Park, de Sint-Gertrudisabdij,
zusterkloosters, rijke families van novicen. Merkwaardig is wel
dat het klooster in de eerste helft van de 17de eeuw
zo dikwijls vanwege Nederlandse katholieken milde aalmoezen
ontvangt. Velen zijn wellicht vrienden en bewonderaars van P.
Johannes Evangelista van ’s Hertogenbosch, maar ook telde men in
die jaren een belangrijk aantal Noord-Nederlandse novicen.
Leuven diende bijna altijd tot noviciaat. Het aantal novicen
schommelde lange jaren tussen de 20 en 30. Zo woonden er in 1755
40 kapucijnen waarvan 10 paters, 3 broeders en 27 novicen. Vanaf
1773 waren er 16 paters, 4 broeders en 11 novicen. In 1796
verbood hij nog novicen aan te nemen en van dan af bleef het
klooster bewoond door 12 paters en 4 broeders.
Noviciaat
De opleiding van de jonge kapucijnen is het
werk van de Magister of Novicemeester. Tweemaal per dag kregen
zij een onderrichting. Ze leerden de Orde kennen, moesten trek
krijgen naar eenzaamheid, armoede en het onderhouden van de
Regel, ze leerden de techniek aan van gebed en meditatie en ook
werd hen de weg gewezen naar de beschouwing. De novicen bleven
helemaal afgezonderd van de anderen. Ze mochten nooit op straat
komen.
Ook al waarschuwde men tegen overdreven uiterlijke strengheid,
toch bleven allerlei buitengewone verstervingen tot na 1760 in
gebruik. Wanneer een novice graag had gevast, kreeg hij bevel om
eens overvloedig te eten; en daarna werd hij voor een gulzigaard
en veelvraat uitgescholden. Bij feestmaaltijden kreeg men het
bevel om met hongerige maag de refter te verlaten. Soms gebeurde
het dat de gardiaan onvoorziens al kokend van gramschap opdaagde
en de novicen begon uit te schelden, om te zien hoe hij daarop
zou reageren.
Tijdens het noviciaat stemde de communiteit
driemaal over de kandidaat, gewoonlijk na 4, 8 en 10 maanden. De
stemming gebeurde met erwten en bonen, bonen waren ten gunste
van de kandidaat en erwten tegen hem.
De geschriften die de novicen veel
gebruiken waren deze van Benedictus van Canfield en
Joannes-Evangelista van ’s-Hertogenbosch.
In 1701 gaf Albertus van Den Bosch te Leuven een boekje uit voor
de novicen: De Boom des levens met onderwerpen als de
manier om de dag godvruchtig door te brengen, de meditatie,
biecht, communie en jaarlijkse retraite. Antonius van Tienen
herwerkte in 1718 te tekst die te Leuven werd uitgegeven onder
de titel van Geestelycke Oeffeninge voor de novitien.
Waarschijnlijk zijn deze beide geleidelijk in het noviciaat
ontstaan uit de lessen, de ervaring, de leer en de praktijk van
de verschillende novicemeesters. (H. VIII, 443-486).
Apostolaat
Te Leuven waren de kapucijnen heel populair. Tot aan de
Franse revolutie traden meer dan 150 Leuvenaars in bij de
kapucijnen.
Asielrecht
We weten dat altijd een kapucijn de ter dood veroordeelden
bijstond. Ook kende het klooster te Leuven, zoals alle kloosters
het asielrecht, waardoor vervolgde misdadigers daar niet mochten
opgepakt worden. Te Leuven werd van dit recht dikwijls gebruik
gemaakt, zoals blijkt uit een tekst die eigenlijk betrekking
heeft op het eigendomsrecht van een perceel grond tussen de kerk
en de Voer: “Soo is ’t noch daerenboven, dat wy altyt, van
dien tyt af (nl. 1615) tot nu toe, sonder de minste twyfelinge,
dat erfken hebben gehouden voor een plaetsken van vrydom; en tot
teecken van dien, hebben wel somtyts eenige, die tot ons quaemen
gevlucht, laeten staen voor de deure van het convent op het
voors. Erken (naementlyck als wy overlast waeren met andere
diergelycke vluchtelingen), hun verklaerende dat sy daer soo wel
waerenals in ons convent.”
Zorg voor pestlijders
Het verzorgen van pestlijders in een oude traditie bij de
kapucijnen.
Meer dan 200 kapucijnen hebben tussen 1595 en 1669, toen de
laatste epidemie onze streken teisterde, hun leven gegeven in
dienst van de pestlijders. Gedurende de pest van oktober tot
december 1635 stierven in het klooster te Leuven tien
religieuzen, waaronder P. Joannes-Evangelista van ’s
Hertogenbosch. In 1669 werd P. Bernardus van Brussel besmet met
de ziekte, maar genas, terwijl de paters Ambrosius van Borgloon
en Florianus van Weesp beiden bezweken aan de besmetting. Een
oud document beschrijft ons het geluk van de kapucijnen
uitgekozen voor de dienst aan de pestlijders: “Zij begaven zich
met vreugde naar hen toe, het lot van de overledenen benijdend.
De bruid die nar het altaar gaat heeft in haar hart minder
vreugde dan de monniken die de huizen en onderkomens van de
besmetten bezoeken. Opgewekt en vrolijk verschonen zij lakens en
bedden, ondersteunen zij de zieken onder armen en schouders; zij
wassen hun wonden, verbinden hun ledematen, ontsmetten hun
wonden. Zij hebben alleen maar troostende woorden. Wat de doden
betreft, zij sluiten hun mond en ogen en wassen en kleden hen op
tedere wijze, daarna vertrouwen zij hen toe aan de aarde onder
een eerbaar graf. Intussen bedelen zij van deur tot deur voor
mondvoorraad, linnen en stro nodig voor hun beschermelingen.”
Bij de kapucijnen gaf de zorg aan de pestlijders aanleiding
tot het bouwen van pesthuizen in de tuin. Deze huisjes waren
niet bestemd voor de pestlijders maar wel om de kapucijnen af te
zonderen die zich het lot van de pestlijders aantrokken. In
Leuven bestonden reeds vóór 1667 twee pesthuizen in de
kloostertuin.
Predikatie
Het voornaamste apostolaat van de
kapucijnen was de predikatie. Naarmate het katholieke leven in
onze streken herleefde en georganiseerd raakte, vervulden de
kapucijnen hun preekbeurten als vaste predikanten voor advent,
vasten, feestdagen en zondagen. Uit een niet gedateerd document
weten we dat de kapucijnen te Leuven preekten in de
Sint-Pieter-, Sint-Michiels- en Sint-Jacobskerk, in de Sint
Gertudisabdij, het klein Begijnhof en in verscheidenen
zusterkloosters. Aanvankelijk preekten zij bijna uitsluitend in
de steden maar later bereidde de prediking zich ook uit naar de
parochies op het platteland, vooral toen vanaf de achttiende
eeuw het biechthoren toenam. Het preken in eigen kerken werd
niet bevorderd en het beperkte zich meestal tot predikaties bij
franciscaanse feestdagen.
Het volks karakter van hun predikatie
blijkt bijvoorbeeld uit een anoniem pamflet van 1714 waarin
staat dat een kapucijn uit het klooster van Leuven over de
boodschap van de engel Gabriël zei: “Hier … heeft dien
goddelijken gezant, 9 uren lank met Maria moeten disputeren, eer
hij haer toestemming heeft bekomen. Ondertusschen de zielkens
van oude patriarchen en propheten, als ook veele engelen stonden
aen de deure, en luysterden door het sleutelgat om te weten hoe
het zou afloopen…”
Biechthoren
De zorg om teruggetrokken te leven, de vrees van conflicten
met de pastoors en de zogenaamde gevaren verbonden aan het
biechthoren van leken, verklaren de weerstand die de kapucijnen
lange tijd hadden tegen het biechthoren. Te Leuven hoorde men
geen biecht op enkele uitzonderingen na, zoals bijvoorbeeld van
de juffrouwen de Cottereau, gezegd de Westmael in 1642. Zelfs
nog in 1725 hoorden de kapucijnen geen biecht, tenzij zoms van
zieken of van een of andere persoon. Pas vanaf 1735 plaatste men
in alle kloosters biechtstoelen.
De beperkingen door de oversten van de Orde gesteld aan dit
ministerie hebben heel wat kapucijnen niet belet om een voorname
rol te spelen als raadgever en geestelijke directeur, zoals
Joannes Evangelista van ’s Hertogenbosch.
| Hulp bij brand
Voor de Franse Revolutie waren de kapucijnen in vele
steden officieel met de branddienst belast. Te Leuven
waren het wellicht de recolletten die deze dienst op
zich namen. Maar zoals blijkt uit de autobiografie van
Auxilius Vervisch hielp hij in 1768 te Leuven bij een
brand.
In het Ceremoniaal te Leuven verschenen in 1759 lezen
we: "Als een brand uitbreekt in een stad, snellen de
religieuzen, met toelating van de overste, naar de
plaats van de ramp, met opgetrokken kleren en met zich
meedragend het gereedschap dat de stad hen met die doel
heeft toevertrouwd.
Nochtans houdt de overste vier of vijf paters thuis,
nargelang hij het nodig acht, om het office te zingen.
Enkele paters zullen trachten de waardevolle voorwerpen
uit de brand te redden, in hun mantels op te bergen en
zorgvuldig te bewaren: in feite is dat het meest nuttige
dat zij kunnen doen. Anderen dragen water aan. De
sterksten bestijgen de ladders en met grote
voorzichtigheid. Ze weken erover niet van elkaar
gescheiden te worden maar ze blijven met 4 of 5 samen.
Niemand van hen gaat alleen een huis binnen. Eenmaal de
brand geblust of het gevaar geweken, keren zij alleend
naar het klooster terug." |
 |
Opheffing van de Orde
Zoals in andere landen van Europa, kwam in
de tweede helft van de achttiende eeuw ook in de Nederlanden een
reactie tegen het kloosterleven. Men vond dat er teveel
religieuzen waren en om hun getal te verminderen begon men in
1772 de professtie te verbieden voor het voltooien van het 25ste
levensjaar. Voorlopig bleef alles bij het oude en men zette
ongestoord het normale leven verder, al was de rekrutering wat
minder dan vroeger.
Toen in 1780 keizerin Maria-Theresia
overleed werd zij door haar zoon Jozef II opgevolgd en onder
zijn bestuur werd het decreet over de onafhankelijkheid van de
kloosterorden op zijn grondgebied ondertekend. Voortaal waren
alle betrekkingen met oversten en kloosters van een en dezelfde
orde in een congregatie verenigd. Aan het hoofd van elke
congregatie kwam een nationale overste of visitator die vier
jaar in functie bleef.
Door dit decreet werden de Vlaamse en
Waalse provincie verenigd en werden Ieper, Menen en Veurne
ingelijfd bij de ontstane congregatie, terwijl zeven kloosters
op Luiks gebied vanaf 16 september 1782, de custodie van de H.
Drievuldigheid vormden. Op 21 juni 1782 werd het eerste
Nationaal kapittel gehouden te Brussel. Voordien was men
overeengekomen de verdeling in provincies te behouden onder de
naam van commissariaat.
Toen in 1786 Jozef II ook in de
Oostenrijkse Nederlanden een Seminarie Generaal wilde inrichten,
weigerden de kapucijnen op energieke wijze hun studenten
daarheen te sturen. De visitator P. Willem van Duisburg werd in
ballingschap gestuurd. Toen de eerste assistent, Godfried van
Aalst, op zijn beurt werd aangemaand het bevel uit te voeren,
schreef deze een opeen brief aan de keizer, waarin hij zegde
eerder aan God dan aan de keizer te zullen gehoorzamen. Ook deze
kapucijn werd verbannen. Jozef II, verontwaardigd over de
rebellie van de kapucijnen, dacht er aan al hun kloosters in de
Nederlanden op te heffen. Daar kwam niets van terecht omdat
intussen de Raad van Brabant zijn misnoegen had laten blijken
naar aanleiding van de bestuurlijke en rechterlijke
reorganisatie van het land. De ballingen keerden als
overwinnaars terug en zij kregen zelfs de toelating om nieuwe
kandidaten in te kleden. Het Seminarie Generaal bleef bestaan en
toen Wilhelmus opnieuw weigerde de kapucijnen er naar toe te
sturen werd hij opnieuw verbannen. Pas na het krachtdadig
optreden van kardinaal van Frankenberg werd op 20 november 1789
het Seminarie officieel afgeschaft.
Opheffing tijdens het Frans bewind
Intussen was de Brabantse Omwenteling
uitgebroken en de Oostenrijkers voorlopig verdreven. Op het
kapittel van 1790 werd de oude toestand hersteld en kozen de
Vlaamse en Waalse provincie opnieuw hun eigen provinciaal. Deze
toestand bleef ongewijzigd maar toen de Oostenrijkse Nederlanden
in 1795 bij Frankrijk werden ingelijfd, was de opheffing van
alle kloosters niet ver meer af. Het decreet verscheen op 1
september 1796. Tegen de opheffing ontstond er eigenlijk weinig
weerstand,het bleef bij een schriftelijk protest.
Het aantal leden in de meeste kloosters was
al gevoelig gedaald. Nemen we enkele voorbeelden uit de Vlaamse
provincie: Te Antwerpen was het aantal van 60 in 1755 gedaald
tot 40 in 1796; te Brussel van 66 naar 38; te Leuven van 40 naar
16; te Tervuren van 32 naar 15, te Tienen van 23 of 24 naar 16,
te Meersel van 26 naar 16 of 17; te Brugge van 42 naar 35; te
Dendermonde van 31 naar 20.
De feitelijke opheffing gebeurde nadat
eerst een inventaris van het klooster- en kerkbezit was
opgesteld en aan de religieuzen een bon werd aangeboden. Twintig
dagen na het aanbieden van de bons werden de religieuzen uit hun
klooster gezet en de bezittingen openbaar verkocht. De
uitdrijving had plaats tussen november 1796 en april 1797.
Tijdens de uitdrijving verklaarden vele
kapucijnen aan de commissarissen van de Republiek trouw te
willen blijven aan hun levenswijze en gemeenschapsleven.
Natuurlijk werden zij verspreid.
Wat de edelen van trouw betreft waren de
kapucijnen sterk verdeeld, zoals trouwens heel de Belgische
clerus. Nochtans in hun rangen vormen de gezworenen een
uitzondering. Men weet dat het Directoire van de geestelijken de
eed van haat aan het koningschap en van trouw aan de Republiek
eiste vanaf 5 september 1797 (18 fructidor) en toen naar
aanleiding van de Boerenkrijg de Fransen meenden een bewijs te
hebben gevonden dat de geestelijkheid de bevolking opruide,
begon men overal onbeëdigde priesters op te sporen. 8700 Belgen
werden veroordeeld tot deportatie, slechts 600 werden effectief
opgepakt. Onder hen waren 32 kapucijnen die verbannen werden
naar Guyana, de eilanden Rhé en Oléron waar zij in het algemeen
gesproken een jaar verbleven. Velen stierven in gevangenschap.
Na de staatsgreep van Napoleon op 9 november 1799 werd de eed
van haat aan het koningschap vervangen door een eenvoudige
belofte van trouw aan de grondwet. Begin 1800 werden de
gevangenen priesters vrijgelaten en mochten de gedeporteerden
terugkeren. Op 15 augustus 1801 werd het concordaat tussen
Frankrijk en Rome afgekondigd.
De religieuzen waren bitter ontgoocheld:
hun kloosters waren ze voorgoed kwijt en recht om te reclameren
hadden ze niet, omdat de wereldgeestelijken als vergoeding
ontvingen, wat men hoofdzakelijk van kloosters en abdijen had
gestolen. Het concordaat bepaalde niets over kloosters. Deze
nieuwe toestand scheen dan ook het kloosterleven onmogelijk te
maken. Vanuit Rome schreef de generale minister op 17 september
1803 aan de provinciaal, Godfried van Aalst, dat hij zich aan de
nieuwe toestand moest aanpassen en zichzelf en zijn gewezen
medebroeders beschouwen als eenvoudige wereldgeestelijken, onder
het gezag van de plaatselijke bisschop.
De kapucijnen die na de opheffing eerst
zoveel mogelijk in burgerhuizen samen woonden maar door
de vervolging van de onbeëdigde priesters meer verspreid
leefden, zochten elkaar weer op na het afkondigen van
het concordaat. In vele Vlaamse steden werden kleine
residenties ingericht die echter geleidelijk aan
uitstierven. Anderen bleven waar ze waren en leerden van
hun pensioen, de inkomsten van hun werk zoals het geven
van onderwijs of vergoeding voor geestelijke
bedieningen, of van de steun van vrienden en
familieleden. Anderen verdienden hun kost door
handenarbeid, veelal door een vak dat ze in het klooster
beoefenden zoals schoenmaker, tuinier of kok. Na het
concordaat werden verschillende paters voorlopig of
blijvend aan een kerk verbonden als mislezer,
biechtvader, kapelaan of pastoor, anderen bewezen dienst
in gevangenissen of gasthuizen. Anderen trokken naar
andere landen om daar het religieuze leven verder te
kunnen zetten. Men ontmoet ze zowat overal in Europa.
Vanuit Brugge waar men, dank zij vrienden en weldoeners,
het klooster omzeggens altijd bleef bewonen zou het
kapucijnenleven weer ingericht worden in onze streken. |
 |
|
| Na de Franse revolutie
Nadat de kapucijnen op 27 november 1796
door de Franse gendarmen werden buitengezet, keerden zij goed
honderd jaar later, in 1897, terug. Ze hadden in de
Schapenstraat een huis gevonden voor de kapucijnen die aan de
Katholieke Universiteit van Leuven studeerden. We hadden goed
gevormde lectoren nodig voor de opleiding van de priester
kandidaten in onze eigen seminaries te Brugge en te Izegem. Ook
kapucijnen uit ander provincies wilden te Leuven studeren. In de
Schapenstraat kon men onmogelijk uitbreiden en daarom werd in
1919 het vroegere kartuizerdomein gekocht. Het duurde twee jaar
vooraleer deze ruïne bewoonbaar was, maar vanaf 8 december 1921
werd deze plaats onze vaste stek.
In al die jaren heeft het klooster te
Leuven zijn functie behouden van studiehuis, maar het was ook
een huis waar wij als kapucijnen, als volgelingen van
Franciscus, ten diensten wilden staan van de mensen, allereerst
uit de eigen buurt. Die verbondenheid heeft in de loop der jaren
heel verschillende vormen aangenomen. Heel wat kapucijnen hebben
hier voor een korte of lange periode gewoond.
Studenten uit onze eigen provincie maar ook
uit Nederland, Frankrijk, Italië, Spanje, Ierland en de laatste
30 jaar uit Kerala in India. Paters en broeders, vriendelijke
maar ook norse, geleerde maar ook volkse figuren, vrome maar ook
wereldse, gedienstige maar ook hooghartige, verstrooide maar ook
gedrevene, spraakzame maar ook zwijgzame, luidruchtige maar ook
stille die in alle eenvoud de mensen uit de buurt een goed hart
toedroegen. Ieder van de medebroeders heeft op eigen wijze zich
dienstbaar gemaakt in zondagspredikatie, vastenpredikatie,
volksmissies, retraites, bonden van het H. Hart, weekend
assistentie op de omliggende parochies. Anderen als biechtvader
of geestelijke leidsman, als directeur van de Derde Orde van
Franciscus, als begeleider van de vele bedevaarders die troost
en bemoediging zochten aan de grot. Weer anderen waren
aalmoezenier in de kliniek, leerkracht in het middelbaar
onderwijs, lector bij de conventuelen of zelfs professor aan de
Universiteit. En dan waren er ook nog die aalmoezenier waren in
een jeugdbeweging of op jeugdkampen, die gehuwden en verloofden
begeleid in Mariage Encounter, die werkten voor onze missies in
Pakistan en Ubangi, medepastoor waren op de Sint-Jacobsparochie,
mislezer in verschillende zusterkloosters en instituten.
Vooral de broeders niet priesters mogen we
niet vergeten. Zij zorgden voor de goede gang van zaken in het
klooster als portier, koster, kok, kleermaker of tuinman. Zij
vooral gaven een gezicht aan dit klooster. Met dankbaarheid
gedenken wij al deze medebroeders die zich van hieruit ingezet
hebben voor mensen, hen nabij waren in goede en kwade dagen, in
vreugde en verdriet.
Met de buurt hebben we heel sterk
meegeleefd in de oorlogsjaren van 1940-1945. Velen hebben met de
medebroeders van toen, bange uren en nachten doorstaan in onze
kelders. Een gedenksteen aan de grot herinnert nog altijd aan
die periode. “Gij hebt ons de vree gebracht, na zo menige bange
nacht. Daarom kreeg dit huis nog andere functies. Nadat vanaf
1970 het bestaande gebouwencomplex grondig en vakkundig
gerestaureerd was, werd in 1975 in het gebouw aan de
Franciscusweg de centrale bibliotheek van de Vlaamse provincie
ondergebracht.
Dit huis werd ook de thuisbasis voor onze missionarissen uit
Pakistan en Congo. De Missieprocuur en het missiesecretariaat
waren er tot 1978 gevestigd. Vanuit Leuven werden grootse missie
expo’s georganiseerd en tot vorig jaar vond ook CDI Bwamanda
België er onderdak. CDI staat voor “Centre de Développement
Intégral”, een ontwikkelingsproject dat een integrale
streekontwikkeling beoogt in het vroegere missiegebied van de
Vlaamse kapucijnen in het Noord-Westen van Congo, de
Ubangistreek en volledig door leken wordt gedragen, zowel in
Congo als hier in België. De Vlaamse kapucijnen hebben zich ook
altijd het lot aangetrokken van de marginalen in onze
maatschappij, rondtrekkenden zoals zigeuners, woonwagenmensen,
van circusmensen, foorkramers, schippers en respect gevraagd
voor hun manier van leven. Te Leuven kregen vanaf 1983 meer dan
200 gezinnen van rondtrekkenden hun residentieadres in ons
klooster. Elke dinsdag en vrijdag konden zij er terecht voor hun
correspondentie en met al hun vragen en miseries.
Aan dit alles is nu een einde gekomen.
Zoals elke orde of congregatie in West-Eruopa hebben ook de
Vlaamse kapucijnen al enkele decennia te kampen met gebrek aan
roepingen en met vergrijzing. In het begin van de 20ste
eeuwe was de gemiddelde leeftijd van de 238 kapucijnen
nauwelijks 33 jaar. In 2004 zijn er nog goed 80 kapucijnen in
Vlaanderen met een gemiddelde leeftijd van 72 jaar. Het zal u
dan ook niet verwonderen dat Leuven het tiende klooster is dat
gesloten wordt.
|
|
|
8) Brugge
Komvest Het werk voor de schippers
In december 1896 startte
een eerste poging voor een georganiseerd schipperswerk te Brugge. In
1908 werd de Vrije Schippersbond gesticht. De volgende stap was een
schippershuis, waar het bestuur van de bond werd ondergebracht, een
kantoor voor bevrachting en ook een school voor schipperskinderen. Langs
de Sint-Pieterskaai werd in 1911 het eerste schippershuis opgericht. In
1913 werd de Schippersschool erkend.
In 1911 werd door pater
Luciaan ook een christelijke dokwerkersbond gesticht. Het schipperswerk
leed een zware tegenslag met de Eerste Wereldoorlog. De
binnenscheepvaart lag stil, de school werd in 1915 door de Duitsers
opgeëist. Na de oorlog nam het schipperswerk zijn intrek in een gammele
barak die de Duitsers hadden achtergelaten in de tuin van het klooster
in de Clarastraat. Met de komst in 1924 van P. Tillo van Izegem en P.
Didac van Pittem kreeg het schipperswerk een vaste vorm. Aan hen dankt
het schipperswerk het gebouwencomplex langs de Komvest dat herhaaldelijk
werd uitgebreid en bijgebouwd.
Tijdens de Tweede
Wereldoorlog kregen de schippers een nieuwe klap te verwerken. De school
werd opnieuw opgeëist, vele schippers raakten hun schip kwijt, de
schippersbond werd verboden. In 1944 werd de school heropend, de
schippersbond werd nieuw leven ingenblazen. In 1954 stichtte pater Didac
de Bond van Eigenschippers en instaat voor inning van vrachten,
juridische bijstand, sociale wetten, goedkope leningen, slooppremies,
enz.
In de jaren zeventig
veranderde de levenswijze van de schippers. Vroeger waren zij aan hun
schip gebonden. De auto, de televisie, het eigen huis hebben vele
veranderingen meegebracht en het geïsoleerde schippersleven doorbroken.
In 1989 werd de lagere school afgeschaft bij gebrek aan leerlingen. In
de gebouwen werd in 1993 een middelbare Steinerschool gevestigd. Het
internaat voor schipperskinderen werd ook voor anderen opengesteld en de
leerlingen volgden onderwijs in verschillende Brugse scholen. Aan dit
alles kwam een einde en tussen 1998 en 2006 werden grond en gebouwen
verkocht. |
9) Aalst
|
|
|
Geschiedenis
Na een lange afwezigheid keerden de Kapucijnen in 1909 terug in Aalst.
Op 27 maart 1910 werd de kerk gewijd. Het klooster werd ingericht als
studiehuis, dat in 1932 naar Brugge verhuisde omdat in Aalst het
Sint-Laurentiuscollege startte.
Het college werd in 1966 opgeheven.
In 1968 werd in de kerk de Sint-Antoniusparochie opgericht.
Op 1 september 2009 verlieten de broeders
het klooster te Aalst.
Kapucijnen verlaten klooster in Aalst. Het hing al een hele tijd in
delucht: de kapucijnen zouden ook het klooster in Aalst verkopen. Zowel
voor het bestuur als voor de andere medebroeders was het moeilijk om
deze beslissing te nemen en met hart en ziel te aanvaarden. Aalst is
toch voor het overgrote deel van de kapucijnen heel belangrijk geweest
omdat zij daar in het St. Laurentiuscollege hun humaniora volgden. Ook
vele andere mensen, die geen kapucijn werden, denken met heimwee terug
aan die eigentijdse vormingsperiode uit hun jongelingsjaren. Na jaren
onderhandelen is het nu zover. Zowel klooster als college zijn van
de hand. Op 1 september verlieten de vier kapucijnen die nog in het oude
gedeelte woonden hun intrek en verhuisden naar een ander klooster. De
medebroeders Jozef (Pascal) Teuns (81), gardiaan, en de oudste van onze
provincie, Laurent (Nivard) Bruggeman (89) vertrokken naar Herentals.
Aster (Theodoriek) Missiaen (80) en Walter (Benedict) Houtman (80)
verhuisden naar Brugge. In hun nieuwe verblijfplaats zijn ze al
grotendeels ingeburgerd en vinden er werk. Want niettegenstaande hun
hoge leeftijd waren zij in Aalst nog heel bedrijvig en zij willen dat zo
nog wel een tijdje volhouden.
Alleen Paul (Gratiaan) Segers (71), nu toch al nagenoeg 20 jaar pastoor
in de St. Antoniusparochie, blijft in Aalst bij zijn mensen wonen.
Uit Handdruk jg. 39 - nr. 3-4
oktober-november-december, blz. 4
Kapucijnen in Aalst:
overgenomen uit Handdruk jg. 39 nr. 3-4 van oktober-november-december op
pagina 5 tot en met 10 |
|
 |
|
 |
|
 |
|
 |
|
 |
|
 |
| |
| |
|