|
|
|
De fraterniteiten met Vlaamse medebroeders in Pakistan, Congo, Canada en wereldwijd. Wereldwijde inzet De missionaire inzet en internationale openheid zijn nooit uit de belangstelling van de provincie geweest. In 1888 nam de provincie het missiegebied van Brits-Indie ( Lahore ) aan, dat later bij de onafhankelijkheid in 1947 beperkt zou worden tot het bisdom Lahore in Pakistan. Bij de start waren er geen katholieken. Nu kent Pakistan meer dan anderhalf miljoen katholieken. In de loop der jaren werden 147 medebroeders uitgezonden. Op het hoogtepunt waren er een 50-tal Belgische kapucijnen in Pakistan. Nu in 2008 zijn er nog 3 Vlamingen en groeit het aantal Pakistani’s geleidelijk aan. De vice-provincie telde op, 31.12.2008, 41 leden. De Kapucijnen In dit land werken de Belgische kapucijnen nu bijna honderdtwintig jaar. Op 15 november 1888 werd de zorg voor het bisdom Lahore toevertrouwd aan de Belgische Kapucijnen. Het gebied dat ze toen toevertrouwd kregen was tienmaal groter dan het huidige bisdom Lahore. De bevolking bestond toen uit 17 miljoen Hindoes, Muzelmannen, Sikhs en outcasts. Bij de start waren er geen katholieken. De voorgangers van de Belgische kapucijnen deden geen rechtstreeks apostolaat. Ze waren kapelaan in dienst van het Britse leger. De Belgische kapucijnen bleven dit voorbeeld slechts gedeeltelijk volgen, want ze kregen van Rome de opdracht om op de eerste plaats onder de lokale bevolking te werken. Bij de start kozen ze een viertal plaatsen uit van waaruit ze een tachtigtal dorpen bezochten. Later zien wij een dubbele beweging ontstaan: enerzijds rayoneren ze vanuit bepaalde centra, maar anderzijds brengen ze ook mensen samen in centra , waaruit dan kolonies ontstaan met christelijke namen als Mariabad, Franciscabad. Het begin van deze eeuw werd gekenmerkt door een massabekering onder de outcasts. Maar na 1915 gaat het moeizamer. De wereldoorlog verstoorde het werk: er kwamen geen nieuwe missionarissen en er waren enkele sterfgevallen. Tevens ontstond er een anti-europese tendens en een groei van nationalistische gevoelens. In deze periode streefde men meer naar verdieping van het geloof bij de volwassenen. Na 1930 drong zich een reorganisatie op. Er was priestergebrek en het bisdom moest verkleind worden. Multan en Rawalpindi vielen weg. Veel aandacht ging er nu ook naar het onderwijs en het openen van nieuwe posten. Maar ook hier zette de Tweede Wereldoorlog weer een domper op de ontwikkeling. Vlak na die oorlog werd Pakistan onafhankelijk (1947). Het bisdom werd hierdoor in tweeën gesplitst en een deel werd praktisch onbereikbaar. De Vlaamse kapucijnen verlieten Indië en kwamen over naar Pakistan. Vlak na de oorlog kwamen er ook twintig jonge kapucijnen uit België, terwijl er zeven wegvielen. Het bisdom bestreek nog één tiende dan de oorspronkelijke missie. Voor de christenen van Pakistan waren het harde tijden. Ze verloren hun werk op de boerderijen (62%), omdat ze plaats moesten maken voor de moslimvluchtelingen uit India. Van toen af begon de migratie naar de steden. Tussen 1949 en 1955 werd het land bovendien nog getroffen door een aardbeving en enkele overstromingen. Toch had de naoorlogse periode ook zijn positieve kanten: de werking in de diepte met gespecialiseerd personeel voor het onderwijs; de samenwerking met andere ordes; de start van de opleiding van een inlandse clerus en kapucijnen; de stichting van nieuwe posten, dispensaria en een hospitaal; de uitwerking van projecten met behulp van westerse organisaties; het betrekken van leken bij het kerkgebeuren vooral onder invloed van Vaticanum II; de oecumene. Vanaf 1965 kende Pakistan een enorme bevolkingsgroei en een grote uitbreiding van de steden. De opleiding van de inlanders was zover gevorderd, dat lokale priesters de parochies overnamen en dat het bisdom een landeigen bisschop kreeg. De catechisten kregen ook meer verantwoordelijkheid. De kapucijnen konden zelf beginnen te denken aan de inplanting van de orde op Pakistaanse bodem. In 1975 kon men stilaan zeggen dat de lokale kerk op eigen benen stond. De buitenlandse missionarissen hebben nog een grootse taak, maar ze komen stilaan op de achtergrond. Vanaf 1975 heeft men ook getracht de situatie te stabiliseren en de kerk ‘self-supporting’ te maken. Er kwam basisonderwijs in de voorsteden en uitbreiding van de middelbare afdelingen en internaten; maar deze scholen werden genationaliseerd en nooit volledig geïntegreerd in de moslimgemeenschap. De huizenprojecten met duizenden huisjes onttrokken mensen aan een feodaal systeem en gaven hun een stuk zelfstandigheid. Door recyclages voor onderwijzers, maandelijkse vergaderingen voor de catechisten, regelmatige bijeenkomsten van priesters en kapucijnen werd het leiderschap verdiept. De grote nood is nu: de inculturatie. Maar ook dit punt ligt heel gevoelig: de christenen uit Pakistan identificeren zich liever met hun Europese broeders en zusters dan met hun moslimgemeenschap. Zij zoeken daarom liever elementen uit de westerse kerk dan in hun eigen kultuur. Wel worden eigen muziek en eigen muziekinstrumenten gebruikt in de liturgie; ook de zithouding aan het altaar tijdens kleinere eucharistievieringen vinden wel ingang. Ook de dialoog met de islam ligt heel moeilijk en gebeurt enkel op hoger en academisch vlak . Wat wel heel integrerend werkt is dat men in de christelijke schooltjes christenen en moslims bij elkaar in de klas ziet zitten. De verdere ontwikkelingen in de kerk van Pakistan. In 1984 wordt Pakistan een vice-provincie afhankelijk van de Vlaamse provincie. Op 11 februari 1994 stierf Kardinaal Joseph Cordeiro, aartsbisschop van Karachi. Sinds 1958 was hij de eerste Pakistaanse bisschop. Hij nam aktief deel aan het Vaticaans Concilie en leverde een grote bijdrage. In 1973 werd hij door Paus Paulus VI tot kardinaal benoemd. In juni 1993 kreeg hij een coadjutor, Mgr. Simeon Pereira, die bij de dood van de kardinaal automatisch aartsbisschop werd. In maart 1994 kozen de kapucijnen ook voor het eerst een Pakistani tot Vice-Provinciaal. Op 5 mei 1994 werd het bisdom Lahore tot aartsbisdom verheven en werd Mgr. Armando Trindade de eerste aartsbisschop. Zo telt Pakistan nu twee aartsbisdommen. In het najaar werd in Yohanabad, nabij Lahore, een nieuw philosophicum geopend in aanwezigheid van Kardinaal Tomko. Mgr. Armando Trindade stierf op 31 juli 2000 en hij werd op 28 augustus 2001 Opgevolgd door Mgr. Lawrence Saldanha. In november 2007 werd met grote luister het honderdjarig bestaan gevierd van de kathedraal van Lahore die ter die gelegenheid helemaal werd opgeknapt. Maar bij een bomaanslag in maart 2008 werd enorme schade aangebracht, vooral aan de glasramen. De kapucijnen in Pakistan anno 2004 1. De opleiding Een overzicht van de opleiding gedurende de laatste 16 jaar (1988-2004) - In 1988 verhuisde de kapucijnen studenten van het St. Mary’s Seminary naar de Loyola Hall. Dit werd door het bisdom gevraagd omwille van het groeiend aantal studenten (1988-1989). - In juli 1989 werd het Capuchin House aangekocht dat in januari 1990 geopend werd. - Volgens het keuzekapittel van 1994 waren 10 medebroeders tussen 1991-1994 werkzaam in de opleiding. - Van 2000 tot 2001 kreeg men de hulp van Br. Anselm uit Indonesië en later van Br. Parick Samuel - Maar in 2002 vertrok Br. Patrick met 7 novicen naar Sri Lanka - Voor de periode 2003-2004 was Br. Nasir Gulfam verantwoordelijk voor de roepingenpastoraal; waren er twee verantwoordelijken in het Capuchin House met 21 studenten waarvan er in augustus 2004 zes het noviciaat begonnen in Sri Lanka. - Na in Rome de graad van licentiaat in moraaltheologie behaald te hebben wordt Fr. Patrick Samuel de verantwoordelijke in het vormingshuis in Karachi. - Enkele jaren later wordt in Karachi een ander huis aangekocht waar de studenten nu verblijven. - Er wordt ook intens samengewerkt met de franciscanen en het Groot-Seminarie van Karachi. - Ook in Lahore werken de kapucijnen en franciscanen nauwer samen voor de opleiding van hun kandidaten. - Vanaf 2008 wordt de postulantenopleiding in Lahore georganiseerd, terwijl men voor de noviciaatsopleiding een overeenkomst heeft tot 2012 met de provincie van Karnataka in Sri Lanka. - De studenten die het aankunnen volgen na het noviciaat filosofie in Kandy (Sri Lanka) terwijl de anderen in Karachi een opleiding in franciscanisme gemengd met filosofische vakken volgen bij de franciscanen. Hieruit blijkt dat de opleiding altijd een bijzondere zorg is voor de vice provincie. Of de resultaten in verhouding zijn is een andere vraag. 2. Huizenproject en opvoeding op de steenovens in Bhai Pheru Br. Leopold Evens vertelt: Toen ik in 1988 in Bhai Pheru aankam bezocht ik al de dorpen van de parochie en zo werd ik mij bewust dat slechts weinig kinderen naar school gingen en dat er buiten de grote centra de volwassenen niet geletterd waren. Gedurende drie jaren heb ik getracht de bevolking bewust te maken dat er zonder opvoeding geen hoop was om in de toekomst hun levenswijze te verbeteren. Zij zouden altijd veracht en onderdrukt worden en voor altijd hetzelfde werk blijven doen. Enkel door opvoeding zou er respect, vrijheid en ontwikkeling komen. Stilaan geraakte de bevolking zo geïnteresseerd en waar de bevolking bereid was om hun kinderen naar school te sturen deden wij volgend voorstel: wij vragen de bevolking iedere dag 1 roepie per kind dat naar school zou gaan . Wij van onze kant zouden dan alles doen wat noodzakelijk was om de school draaiende te houden. Op het einde van 1994 startten wij de eerste school in Gagga op een open plaats vlak voor de kapel. We gaven hen een mat om op te zitten, een tafel en een bord en voor de kinderen enkele leien. Toen er meer en meer kinderen kwamen waren de matten vlug versleten en gaven we hen kleine bankjes. In het begin van de volgende zomer knapten we een oud gebouw op als bescherming tegen de zon. Nog later bouwden we verschillende veranda‘s. Nog later braken we het oude gebouw af om drie nieuwe klassen en een bureel op te trekken. Ook zorgden we voor toiletten en water. Nu zijn er tussen de 150 en 200 kinderen. Op min of meer dezelfde wijze zijn schooltjes begonnen in 25 dorpen. Sommigen werden een succes, anderen niet en moesten daarom gesloten worden. Herhaaldelijk hebben we geprobeerd scholen te openen op steenovens, maar de meeste eigenaars werkten niet mee. Zij willen geen onderwijs voor de kinderen van hun werkvolk. Daarom zijn wij met “Rainbow Colony” begonnen. Nabij Jamber op de weg tussen Bhai Pheru en Patoki konden we een stuk land kopen. Dit ligt op 9 km van Bhai Pheru en ongeveer 300 meter van de grote weg. Er werd een groot stuk land voorbehouden voor de school en de infrastructuur van de parochie. Daarnaast is er plaats voor 184 huizen. De bedoeling is grond te geven aan mensen die geen huis hebben vooral steenbakkers. Wij bouwden er 7 klassen en de school werkte goed alhoewel et geen elektriciteit is . We zouden zo vlug mogelijk aansluiting moeten hebben, maar de WAPDA vraagt 1 miljoen roepies. Herhaaldelijk hebben we politici en andere personen gevraagd om ons te helpen. Ze beloofden het allemaal maar er kwam niets van terecht. Intussen is de waarde van de grond verdubbeld en van zodra er elektriciteit komt verwachten wij dat dit project een succes wordt. De voornaamste problemen van ons project zijn:
Toen ik met dit project begon realiseerde ik me dat dit niet gemakkelijk zou zijn. Tien jaar had ik met Fr. Henri gewerkt en hij zei me dat het één generatie (25 jaar) zou duren vooraleer een school in een dorp goed kan functioneren. De meeste van deze scholen zijn nu tien jaar oud. We moeten dus nog wat geduld hebben, maar al degenen die naar school gingen zullen er profijt bij doen. We hebben ook reeds goede resultaten van kinderen die dank zijn hun opvoeding een hogere levensstandaard voor hun familie bereikt hebben. Spijts al deze problemen doen we dus voort zolang we kunnen. 3. Rechtvaardigheid en vrede Onmenselijk levensomstandigheden bij de steenbakkers Bhai Pheru is een van de grootste steenmarkten van het land. Er staan meer dan 60 steenovens in onze parochie. Geen enkele van deze ovens is geregistreerd omdat, indien de eigenaar ze laat registreren, hij de “labor act” (werkovereenkomst)van de regering uit 1992, die de rechten van de arbeiders waarborgt, moet onderhouden. Dit heeft tot gevolg dat honderden families tot slavernij zijn gedoemd. Er bestaat grote onrechtvaardigheid tegenover de arbeiders. Het zijn mensen zonder menselijke waardigheid, respect en mensenrechten. Zij krijgen geen eerlijk loon. Zij kunnen lezen noch schrijven, zij kunnen hun productie niet volgen en worden daarom bedrogen. De hobby van veel eigenaars van steenovens is TV kijken en de vrouwen en dochter van hun arbeiders verkrachten. Kinderarbeid De kinderen van de steenbakkers helpen hun ouders op de steenoven. De steenbakkers zijn er van overtuigd dat ze met de hulp van hun kinderen meer geld kunnen verdienen en dat is ook zo. Maar op die manier wordt de kinderen ook schade en onrecht aangedaan. Het grootste onrecht is dat ze geen onderwijs krijgen. Nog geen 1 procent realiseert zich het belang van opvoeding. Het is beter de jongeren goed te vormen dan later te moeten corrigeren. Bewustwordingsprogramma’s voor de kinderen en voor de ouders worden georganiseerd. De leden van de franciscaanse jeugdgroep doen een onderzoek naar kinderarbeid op de steenovens. Dit is een belangrijke hulp omdat dit het ons mogelijk maakt om ze te vinden en ze in te schakelen in ons bewustwordingsprogramma. Huizenproject en gezondheidszorgproject voor de steenbakkers Honderden steenbakkers leven op de ovens en in huurhuizen. Hun leed wordt erger op het moment dat ze van hun loon de huur moeten betalen dat nauwelijks groot genoeg is om hun basisbehoeften te voldoen. Zulke structuur dwingt hen om als n slaven te leven. Jaren geleden kocht Caritas een stuk land in Raiwind. Ik kreeg de documenten in handen zodat ik de grond kon verkopen en een ander stuk grond kon kopen nabij Kot Rada Kishan. Het plan is nu om bouwgronden van 4,5 marla te verkopen aan honderd families. Zo zullen zij menswaardig kunnen leven. 4. Jeugdpastoraal De jeugd maakt en belangrijke groep uit van de pastoraal. In Azië, ook in Pakistan, is 40 % van de bevolking tussen 15 en 25 jaar. Zij zijn de krachten van nu en de droom voor een voorspoedige toekomst van onze families, gemeenschappen en ons land. Zij zijn de beste agenten voor sociale promotie . Zij hebben de talenten en het vermogen om verborgen mogelijkheden te ontdekken en nieuwe horizonten te ontdekken. Dit is de leeftijd met hoge verwachtingen en de wil om voor een betere toekomst te vechten, om positieve keuzes te maken, prioriteiten te stellen en besluiten te nemen. De hedendaagse jeugd staat open voor nieuwe uitdagingen en mogelijkheden. De media bieden allerhande waarden aan. Soms is het echt moeilijk om juiste keuzes te maken. Daarom moeten ze geholpen worden op moeilijke momenten. 5. Healing service Een goed deel van Jezus optreden bestond in het genezen van gebroken harten. Veel zaken kunnen ons evenwicht verstoren. Ons hart is gebroken wanneer we vol zitten met angst, wrok, haat, bitterheid en niet kunnen vergeven of ook als schaamte, schuldgevoelens, spijt en verdriet hebben. Jezus leerde hoe gebroken harten kunnen genezen worden. Wij mogen niet blijven leven in de ban van negatieve gevoelens. Genezing is te vinden door bekering en vergeving. Als wij vergeven aan wie ons kwetste zullen deze gevoelens vanzelf verdwijnen. Vandaag de dag is iedere mens gebroken en gekwetst: psychologisch, emotioneel en fysisch. Daarom worden overal “healing services” gehouden. Het staat vast dat als mensen aan deze diensten deelnemen ze verlost geraken van die negatieve gevoelens. Dit maakt ook deel uit van ons franciscaans charisma. De bedoeling van “healing services” is niet een mobiel hospitaal te openen, maar wel de gelovigen een mogelijkheid te geven waar deze lasten worden weggenomen. “Kom tot mij gij allen die belast zijt en ik zal u verkwikken.” 6. Selfsupporting De idée van selfsupporting is niet nieuw. Iedereen wil selfsupporting zijn. Ook in de kerk van Pakistan leeft de idee al lang, maar in maart 2004 werd hiervoor een denkgroep opgericht door de bisschoppenconferentie. De behoefte ontstond omdat verschillende bisdommen financiële moeilijkheden hadden. Selfsupporting moet niet enkel financieel of economisch gezien worden. Het gaat veel verder. Het nodigt ons uit om onze visie, directieven, doelstellingen en objectieven uit te zuiveren en een methodologie op punt te zetten om dit te bereiken. Een selfsupporting kerk betekent macht geven aan de machtelozen. 95% van de katholieke bevolking is zeer arm en een groot deel leeft zelfs onder het bestaansminimum. Enkel 5 % beschikt over 95 % dat beschikbaar is aan middelen. Dikwijls wordt onder selfsupporting verstaan dat deze 95% met hun 5% aan middelen moeten instaan voor het onderhoud van 5% (priesters, religieuzen enz.) die al veel bezitten. Het zou zo moeten zijn dat de 5% die het al goed heeft met 95 % aan middelen zou meedelen met de 95% van de bevolking die maar over 5% beschikt. Enkel dan zullen de zwakkeren kunnen overleven. BESLUIT De laatste jaren zijn er zaken gebeurd die to vreugde stemmen: - de plechtige professie en wijding van jonge medebroeders; - jongeren die een nieuwe ervaring als kapucijn opdeden in Sri Lanka - een nieuwe groep novicen die nu in Sri Lanka is; - het experiment zelf om met India aan de opleiding te werken; - studenten in Rome die er een hogere opleiding krijgen; - de jubilea van enkele oude missieposten door de kapucijnen gesticht; - de inzet voor onderwijs en pastoraal, in het bijzonder KHK; - de jeugdpastoraal; - de dialoog met de Islam; - een gezond financieel beheer. Dit zijn maar enkele positieve punten die ons onmiddellijk in het oog springen Cijfermateriaal over de kerk en de Kapucijnen in Pakistan. De evolutie van het aantal christenen werd sterk beïnvloed door de evolutie van de geschiedenis: het oorspronkelijke Brits-India werd in 1947 opgedeeld in twee onafhankelijke staten, maar ook het oorspronkelijke missiegebied werd in de loop der jaren opgesplitst in verschillende bisdommen. Zeker is, dat er bij de start in 1889 geen christenen waren, en bij de eeuwwisseling bedroeg het getal reeds 2.000. Op dat ogenblik verbleven er in Pakistan 30 Belgische kapucijnen, dat is 6 voor 66 gelovigen. Geleidelijk breidde de christelijke geloofsgemeenschap (katholiek en protestant) zich uit. Beiden houden tot op vandaag gelijke trend. In 1930 telt de katholieke geloofsgemeenschap 36.000 christenen en bereikt het aantal Belgische missionarissen haar hoogtepunt: 51, dat is 1 voor 705 gelovigen. Met de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende crisis zal dit getal missionarissen voortdurend dalen tot 23 begin 1985 en 14 begin 1995, terwijl het aantal christenen sterk toeneemt. Ook krijgt men in de laatste periode hulp van andere ordes en congregaties en nemen lokale geestelijke, zowel diocesane als kapucijnen, de fakkel over. Ook de bevolkingsexplosie speelt een grote rol. Pakistan telde in 1947, 32,5 miljoen inwoners, in 1978 75,6 miljoen en in 1985 92 miljoen... nu schat men in 2008 het aantal (voorzichtig) op 165 miljoen. In de regel mag men rekenen dat 1,5% daarvan christen is. De kinderen worden nu bij de geboorte gedoopt. De Punjab, met Lahore als hoofdstad, is altijd de sterkste groeipool geweest voor de christenheid. Leven volgens de Regel van Franciscus. Wat onze Belgische missionarissen in de moslimland hebben gepresteerd is eigenlijk met geen pen te beschrijven. De zonen werden uitgezonden, het zaad van het Evangelie werd gezaaid, de franciscaanse boodschap van vrede werd beleefd volgens het voorschrift van de stichter Franciscus van Assisi. Ook in Pakistan hebben zij de karakteristieken uit de franciscaanse spiritualiteit: het gaan en trekken door de wereld, het verlangen naar vrede en liefde voor de armen, met hart en ziel beleefd. In zijn Regel schrijft Franciscus: “De broeders die naar de missie vertrekken, kunnen op twee manieren geestelijk onder hen leven. De ene manier is, dat zij geen ruzie maken of woordenstrijd aangaan, maar zij zullen om God ondergeschikt zijn aan ieder menselijk schepsel en belijden dat ze christenen zijn. De andere manier is dat zij, als zij zien dat het God behaagt, het woord van God verkondigen, opdat deze geloven in de almachtige God, de Vader, de Zoon en de heilige Geest, in de Schepper van alles, en in de Zoon, de verlosser en redder, en opdat zij gedoopt worden en christenen worden.” 16,5-7. Nog altijd is die tweede manier van aanwezig zijn in een moslimland de beste manier om de Boodschap te doen doordringen. Franciscus sprak uit ervaring, want hij was zelf op bezoek geweest bij de Sultan in Egypte. Wist u trouwens dat Franciscus de eerste was om in zijn Regel over missionering te spreken? Wat zou zijn volgelingen dan kunnen weerhouden dit te doen? Kamiel Teuns, ofm cap. SITUATIE 2008 Samen met Indische kapucijnen WERD op 23 juni 2001 gestart met de inplanting van de Orde in Sri Lanka. De stichting heeft ook tot doel de kandidaten uit Pakistan op te leiden. Op 8.12.2008 zijn er 5 postulanten, 8 novicen en twee studenten in filosofie. Vanaf 2008 organiseert Pakistan zelf het postulaat in het Capuchin House te Lahore. Er zijn momenteel 5 postulanten. In 2008 kreeg dit opleidingshuis van de kapucijnen in Lahore een grondige beurt. De provincie van Karnataka in Indië heeft in Sri Lanka een noviciaat gebouwd dat voltooid werd in september 2008. In dit jaar werd ook een ander studiehuis in Kandy aangekocht voor medebroeders studenten in filosofie. Wellicht zouden zo de jonge medebroeders novicen van Pakistan na hun noviciaat in Sri Lanka er ook hun studies kunnen verder zetten. In 2008 studeren twee jong geprofesten filosofie aan het seminarie te Kandy. Tenslotte heeft men ook nog een huis dat dienst doet voor de opvang van nieuwe kandidaten afkomstig uit Sri Lanka. Medebroeders van onze Vlaamse Provincie werkzaam in Pakistan. Leopold Evens
Uit Handdruk jaargang 40, nr.1, maart 2010:
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
BISSCHOPSWIJDING VAN MGR.
JOHN CORRIVEAU
BISSCHOP VAN LAHORE PRIJST BELGISCHE KAPUCIJNEN
JUBILEUMVIERINGEN HONDERD JAAR KAPUCIJNEN IN CONGO
BELGSICHE MISSIONARISSEN WERELDWIJD
TOESTAND OP 31 - 12 - 2007
HET DUBBELE LEVEN VAN POSTZEGELS Artikel genomen uit Handdruk jg. 40, nr.2 juni 2010
Kapittel
van de Generale Viceprovincie Cong Uit HANDDRUK nr. 3 september 2011, van jg 41:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||