1. Ik wil jullie allereerst danken omdat jullie de taak van gardiaan of
huisoverste aanvaard hebben. Ik zie onder jullie niemand die echt zat te
wachten op die benoeming. Het is aantrekkelijker om je ten volle aan één
pastorale of andere taak te kunnen wijden en binnen de fraterniteit een
goede medebroeder proberen te zijn, dan de leiding van en zorg voor een
(in de meeste gevallen oude) fraterniteit op je te nemen, met alle
verspreide aandacht en uiteenlopende taken die dat vaak meebrengt.
Voor sommigen onder jullie is het aanvaarden van het gardiaan zijn nog
een grotere stap dan voor de anderen.
Van harte dank er voor!
2. Ik hoop voor ieder van jullie dat je ook vreugde in deze taak mag
beleven. Datje mag beleven dat het goed is watje in je taak voor het
geluk van je medebroeders, voor je fraterniteit en voor mensen die bij
ons aankloppen, mag zijn en doen.
3. We hebben tijdens de vergaderingen van de gardiaans in de voorbije
drie jaar (en ook voordien) weer
ten volle ervaren -
wat we natuurlijk wel wéten- hoe
verschillend de gemeenschappen
zijn en hoe verschillend de opgaven voor de oversten.
Schaarbeek is Herentals niet en Izegem is Antwerpen niet...
En 'de' kloosters en 'de fraterniteit' bestaan niet in onze provincie!
En ook heel veel van wat vanuit Rome geschreven wordt en aanbevolen
wordt, is bestemd voor jonge vitale gemeenschappen, en sluit niet direct
aan bij onze situatie, hoe graag we ook zouden hebben dat dit wel zo is.
Toch hoop ik dat jullie aan elkaar en aan het bestuur steun zullen
hebben (en ook dat het bestuur aan jullie steun mag hebben) bij het
zorgen voor het welzijn van de provincie-fraterniteit en voor het
realiseren van wat het laatste kapittel heeft aanbevolen.
Het hangt heel veel van de gardiaan of overste af of berichten en
uitnodigingen tot deelname aan dit of dat, vanuit het provincialaat,
werkelijk doordringen tot in de gemeenschap en of er al of niet gehoor
aan gegeven wordt!
4. Kijkend naar de taak van gardiaan vanuit het laatste kapittel.
Tijdens het laatste kapittel heeft br. Jan Wouters een paper ingebracht
over de zending van onze broederschap vandaag. En hij heeft onderstreept
-
veelvuldig verwijzend naar de zevende
ordesraad waaraan hijzelf deelnam - dat de eerste zending van de
minderbroeders het intens beleven van de broederschap is en hij
onderstreepte daarbij het belang van de taak die de gardiaan daarin
heeft.
Ik nodig jullie uit om de tekst van Jan Wouters in het kapittelverslag
nog eens te herlezen.
Zojuist hebben we ook een tekst uit die zevende ordesraad gelezen die
veel aandachtspunten voor onze taak bevat en die daarom voor onszelf nog
kunnen overwegen.
5. Enkele overwegingen en aandachtspunten
bij de taak van de gardiaan
Drie jaar geleden heb ik bij de aanstelling van de gardiaans een aantal
zaken gezegd over de taak van de gardiaan. Ik sta daar nog achter en ik
voel niet de behoefte om nu absoluut iets anders te zeggen.
Ik herhaal daarom een aantal zaken
5.1. Veelzijdige taak
'Bij ons heeft de gardiaan een zeer
veelzijdige taak. Er is enerzijds de zorg voor het onderhoud (klein en
groot) van het huis en van de kerk, de zorg voor de bevoorrading, voor
de administratie en correspondentie, voor de financies, de zorg voor
iedere medebroeder, en op een eigen wijze voor oude en zieke
medebroeders en alles wat bij deze zorg ook aan administratie bij komt
kijken. En vandaag komt er meer en meer bij dat men het werk van
personeel moet regelen en aandacht moet hebben voor hun werk en
werksituatie.
In veel religieuze families is voor de hier opgesomde taken een
afzonderlijke persoon belast.
Daarnaast is er de aandacht voor de concrete broeders, voor hun werk en
hun ervaringen, voor hun noden en welzijn, voor het klimaat en de
relaties en de dialoog binnen de fraterniteit, de
medeverantwoordelijkheid van ieder enz. Er is de aandacht voor de
liturgie en het gebed in de fraterniteit, voor de pastorale taken van de
fraterniteit en de zending in bredere zin.
De gardiaan is bovendien de verbindingspersoon met de ruimere
provinciefraterniteit en dat in de twee richtingen.
Hij is ook het aanspreekpunt ter plaatse, hij heeft een
representatiefunctie enz.
Deze opsomming volstaat waarschijnlijk voor sommigen onder jullie om het
even benauwd te krijgen, als je daarbij ook denkt aan het pastoraal en
ander werk dat je al hebt en dat je nog graag verder zou kunnen
behartigen.. ..
Het is daarom belangrijk om te kijken wat
kan en niet kan, en om te zien hoe de taak kan verlicht worden.
5.2. Spanningsvelden
De opsomming van zojuist illustreert dat je als overste in een reeks
spanningsvelden terecht komt. Ik noem er enkelen. De zorg voor de
gemeenschap en de andere taken die je hebt; de ruimte voor de
individuele medebroeder en de aandacht voor het welzijn van de
fraterniteit; de spanning tussen droom en plannen(en watje graag zou
zien tot stand komen) en de
grenzen van de realiteit; de spanning tussen echt iemand de
verantwoordelijkheid kunnen geven wanneer je taken delegeert, en het
willen ingrijpen wanneer je ziet dat ze niet opgenomen worden zoals je
zou wensen; de spanning tussen je totale inzet en de zorg voor jezelf;
de spanning tussen de verwachtingen van mensen en de antwoorden die je
kan geven; de spanningen binnen een gemeenschap; de spanning tussen
gewoon een broeder naast en tussen de anderen willen zijn, en toch je
eigen plaats hebben die je wat alleen zet, en ook het toch moeten
verantwoordelijkheid nemen.
5.3. Een taak met veel aspecten die ons niet allemaal even goed liggen
Ieder van ons heeft verschillende bekwaamheden. Sommige van de
opgenoemde facetten liggen ons beter dan anderen. Dat kan niet anders.
Gelukkig kunnen we heel wat taken door medebroeders laten doen. Daarbij
is het dan belangrijk dat we én ten volle de verantwoordelijkheid die we
iemand geven, respecteren én anderzijds toch eindverantwoordelijkheid
blijven dragen. Het is belangrijk dat medebroeders zich verantwoordelijk
mogen weten en zich daarin au serieux genomen voelen en vertrouwen
krijgen. Het is ook belangrijk dat we heel duidelijke afspraken maken
rond de taakverdeling enz.
5.4. Een taak die je confronteert met je
zelf
Wij hebben allen ons karakter en onze grenzen en we mogen die ook
hebben. Hoe eerlijker we met onszelf omgaan, hoe beter wij onze grenzen
durven onder ogen zien en erkennen en op de goede plaats ook kunnen
uitspreken, hoe beter we er naar anderen ook mee kunnen omgaan.
Soms kunnen situaties of medebroeders ons te hoog zitten. En het kan
gebeuren dat wij ons hart daarover graag eens luchten. Het is dan wel
belangrijk dat wij het bij de goede persoon doen. En best niet bij
iemand die ons ongenoegen versterkt, bij iemand die deze kans aangrijpt
om er de eigen grieven en frustraties bij te leggen. Best dus bij iemand
die ons in onze beleving goed beluistert en ze verstaat en ze voor ons
verheldert.
Het is goed dat we hierbij onszelf goed leren kennen. En dat we aan
zelfreflectie doen.. Waarom irriteren ons sommige houdingen of
gedragingen van sommige medebroeders ? Waarom durven we naar de ene
medebroeder wel toestappen om iets te zeggen of iets te vragen? Waarom
doen we dat naar een andere veel moeilijker? En luchten we misschien ons
onbehagen of misnoegdheid alleen tegen anderen en niet tegen die
medebroeder zelf, of alleen maar als we erg kwaad zijn? Waarom zijn we
voor opmerkingen heel gevoelig, of voelen we ons meteen aangevallen als
die of die iets zegt of voorstelt? Het is goed dat we bij onszelf
onderkennen wat er dan bij ons leeft of gebeurt. Wij steken op een
bepaalde manier in elkaar en de eerste stap is dit te onderkennen en te
aanvaarden en te weten dat wij er zo mogen zijn, dat we met de nodige
humor naar onszelf kijken en onszelf aanvaarden. Dan kunnen we er
gemakkelijker op een goede wijze mee omgaan.
Af en toe wat afstand nemen, reflecteren op onze taak, op onze
fraterniteit en ook de nodige ontspanning nemen, is heilzaam.
* Je taak goed doen en beseffen datje eigen beleven van onze roeping
invloed heeft op de anderen.
En toch ookje taak niet' te goed' willen doen. Je bent niet
verantwoordelijk voor alles, niet verantwoordelijk voor de wijze waarop
de andere broeders hun roeping beleven.
* je mag je eigen fouten hebben. En tegelijk moetje je daar niet te vlug
achter verschuilen.
Het is erg weldadig wanneer wij onze grenzen kennen en aanvaarden en
daar ook durven voor uit komen.
* Omgaan met grenzen, met machteloosheid ook. Wij zelf zijn niet voor
alles verantwoordelijk, niet voor alle mistoestanden, niet voor alle
spanningen; We moeten niet denken dat wij die eigenJijk allemaal zouden
moeten oplossen. En anderzijds is het belangrijk dat we mogelijkheden
blijven zien!
5.5. Ons
omgaan met onze medebroeders
Het treft me soms dat mensen die ons toch goed kennen, niet door hebben
wat het voor ons betekent tot deze gemeenschap te zijn toegetreden, dat
wij broeders van elkaar willen zijn, dat wij niet zelf over financies
beschikken maar alles in een gezamenlijke pot doen, dat wij bij de keuze
van werk enz. dit mee afhankelijk stellen van de noden van de
gemeenschap, dat wij niet denken in termen van promotie enz. Onze keuze
om in een broederschap te leven is geen vanzelfsprekende keuze. Het is
belangrijk dat we af en toe stil staan bij de wijze waarop wij trachten
met elkaar te leven.
Mag ik hier even de aandacht vragen voor enkele houdingen die we nooit
helemaal bezitten.
* De eerbied, het respect voor iedere
medebroeder.
Zoals alle mensen voelen we ons allemaal graag gerespecteerd. Als we
geen respect, geen 'eerbied' ervaren sluiten we ons, moeten we ons
innerlijk afsluiten en gaan we een beetje dood. Eerbied heeft niets met
ont-zag te maken of met onderdanig ons buigen voor. Maar wel met 'deze
mens, deze medebroeder' in zijn mens-zijn, zijn medebroeder zijn
erkennen en hem dus niet achteloos voorbijlopen of kleinerend
behandelen. Eerbied is een heel mooi woord. Het is eer bieden aan een
medemens door deze te erkennen in zijn waarde en zijn uniciteit en deze
niet te schaden maar te bevorderen.
Dit heeft te maken met het aanvaarden van de ander (wat niet wil zeggen
alles wat hij doet of niet doet maar goedkeuren)., met de manier van
spreken, de manier van plagen, de manier van op dingen wijzen, de manier
van iemand maar aan zijn lot overlaten of hem behulpzaam zijn enz.
* De innerlijke
gastvrijheid voor iedere broeder.
Het is belangrijk, niet alleen voor de gardiaan, maar ook voor hem, om
innerlijk gast-vrij te zijn. Mag de ander bij ons binnenkomen, hebben
wij aandacht en tijd. Dat hoeft geen kwestie van lange gesprekken te
zijn. Maar 'merken we de ander op', hebben we zulk gedrag dat de ander
geen te grote stap moet zetten om iets te kunnen zeggen, hebben we oog
en hart voor hoe het met iemand gaat. En dat wat gezondheid betreft maar
ook voor de rest. Heeft de ander bij ons een plaats.
Ik zeg nu iets dat ikzelf niet altijd gemakkelijk weet te beleven. Ik
kan erg gespannen zijn in verband met wat ik te doen heb, en dan wordt
een onverwachte vraag voor dit of dat, vlug een onwelgekomen obstakel.
. .En ik mocht ervaren dat sommige medebroeders me daarin kenden en
begrepen. Maar dat wil niet zeggen dat het goed is dat ik zo handel,
leef. Het zijn heerlijke mensen bij wie je op ieder moment het gevoel
hebt datje kan 'binnenkomen' in hun aandacht, en die wanneer het echt
niet kan, het ook duidelijk zeggen.
Met die innerlijke
gastvrijheid hangt ook de positieve blik samen. . In de
Rogeriaanse therapie spreekt men van de onvoorwaardelijke positieve blik
als een houding die gunstig is om de ander te doen groeien. Dat is
natuurlijk gemakkelijker te doen tijdens een gesprek van een uur met
iemand die verder niet in je leven aanwezig is, dan in het dagelijks
samenleven.
Maar toch. Je kan de ander met een blik bekijken van 'ik ben op alles
voorbereid, jij gaat mij niet liggen hebben, wat nu weer enz. of: hoe
kan ik de ander te slim af zijn, enz. of met een blik die de ander
vernietigt, of die de ander puur observeert en probeert 'door te
hebben', of die de ander veroordeelt,of die niets van de ander verwacht.
Maar er is ook de blik die de mens die gelukkig wil zijn, ziet in de
ander en weet dat - ook al is het onder zware blokkades en in een
verwrongen gedrag -
een medemens aanwezig is.
De blik die eigenlijk op het beste in de ander appelleert. We kunnen
daarbij denken aan de zeer vaak geciteerde tekst van Eloi Lerc1erc op de
laatste bladzijde van 'De Nacht van de Poverello’.
* Het
bevestigen en bemoedigen en waarderen.
Vaak leeft dat wellicht in ons maar
spreken we het niet uit. Terwijl het toch ons allemaal goed doet wanneer
we het ook mogen horen. Ook als we niet achter bevestiging zitten te
hengelen. De spreuk van de BZN geldt waarschijnlijk ook voor ons: 'geef
iemand een pluim en hij krijgt vleugels' Het moet dan natuurlijk wel
gemeend zijn. Ook de interesse voor wat we gedaan hebben,
meegemaakt hebben, doet ons vaak goed.
* Elkaar dragen in broosheid. Het is vlug gezegd maar dit woord
van Franciscus blijft uiterst kostbaar en actueel. En het krijgt in onze
hoogbejaarde gemeenschapapen een steeds grotere actualiteit.
* De waarachtigheid tegenover de medebroeder
Het is gemakkelijker om iemand in zijn
gezicht niets te zeggen, mee te praten, te zeggen dat alles o.k. is maar
hem achter zijn rug af te breken of ons onbehagen alleen tegenover
anderen te uiten. Maar de medebroeder en wijzelf zijn er het meest mee
gebaat wanneer we 'in eerbied' met de betreffende medebroeder zaken ter
sprake brengen die we menen te moeten zeggen.
* Het is goed van medebroeders te bevestigen in hun eigen
verantwoordelijkheid voor welbepaalde taken. Als ze die
verantwoordelijkheid hebben, is het goed dat we die ook respecteren en
zo maar niet ingrijpen en die verantwoordelijkheid in feite negeren.
* Een tactvolle aandacht voor de gezondheid, voor 'hoe het gaat met een
medebroeder' is belangrijk.
Besluitend:
Dit zijn maar enkele aandachtspunten. Er zou nog heel veel te zeggen
zijn. Ik wil nog graag zeggen: neem gerust contact op met het
provincialaat, trek de aandacht op zaken die moeten behartigd worden,
communiceer met je medebroeders en met het bestuur.
Ik wil jullie graag nogmaals danken en
ik wens jullie graag toe dat jullie zelf in je taak ook voldoening mogen
vinden.